Hoe de haat steeds weerkaatst

Een essaybundel en een vertaalde Franse studie onthullen de complexiteit van het hedendaagse antisemitisme. Dat heeft vooral in Frankrijk inheemse wortels.

Bekladde graven op de joodse begraafplaats Strasbourg-Cronenborg in Straatsburg, 2002 Foto Cedric Joubert/AP An unidentified French member of the Jewish community looks at a grave marked with a swastika Sunday, April 14, 2002 in the Jewish cemetery of Strasbourg-Cronenbourg, in Strasbourg, eastern France. About 20 graves were marked with swastikas on Friday at the Jewish cemetery, the latest in a series of anti-semitic acts in France. (AP Photo/Cdric Joubert)
Bekladde graven op de joodse begraafplaats Strasbourg-Cronenborg in Straatsburg, 2002 Foto Cedric Joubert/AP An unidentified French member of the Jewish community looks at a grave marked with a swastika Sunday, April 14, 2002 in the Jewish cemetery of Strasbourg-Cronenbourg, in Strasbourg, eastern France. About 20 graves were marked with swastikas on Friday at the Jewish cemetery, the latest in a series of anti-semitic acts in France. (AP Photo/Cdric Joubert) Associated Press

Philo Bregstein: Antisemitisme in zijn hedendaagse variaties. Mets & Schilt. 256 pag. €19,90

Michel Wieviorka: The Lure of Anti-Semitism. Hatred of Jews in Present-Day France. Brill. 430 pag. € 50,–

Toen filmmaker en schrijver Philo Bregstein in 2006 samen met een vriend een Israëlisch restaurant aan het Amsterdamse Waterlooplein verliet, stopte er een auto met ‘opgewonden jongens, op het eerste gezicht uit een Noord-Afrikaans immigrantenmilieu, die ons voor vuile joden uitscholden en meteen daarna wegspurtten.’ In de inleiding van Antisemitisme in zijn hedendaagse variaties schrijft Bregstein dat dit zowel voor hem als voor zijn vriend de eerste keer was sinds 1945 dat zoiets gebeurde. Dat is verbazingwekkend, maar goed, kennelijk hebben beiden geluk gehad.

Dat er, zoals Bregstein vaststelt, NoordAfrikaanse vormen van antisemitisme zijn, vaak gekoppeld aan een sterk antizionisme, staat buiten kijf. Maar, zoals de jaarlijkse onderzoeken van de Anne Frank Stichting in samenwerking met de Universiteit Leiden aantonen: het autochtone antisemitisme overtreft dat van Noord-Afrikaanse immigranten en hun kinderen niet alleen in omvang, maar ook meestal in giftigheid. In de wachtkamer van het station van een dorp in de Veluwse Biblebelt zag ik eens een in bomberjack gehulde kaalkop. Op de achterkant van zijn jack was over een Nederlandse vlag een tekst geborduurd: ‘Six million ways to die.’ Met een toename van het percentage antisemitische incidenten op het totaal van discriminatiegevallen van 25 procent in 2002 tot 33 procent in 2006 (Monitor racisme & extremisme) staat antisemitisme, na ‘ras’, op de tweede plaats als discriminatiegrond. Maar wat betekent dat, gezien de veel sterkere toename van ‘ras’ als discriminatiegrond?

In Antisemitisme in zijn hedendaagse variaties, een bundeling vanessays en artikelen toont Bregstein zich een leerling van Léon Poliakov (1910-1997), de auteur van het standaardwerk over antisemitisme, Histoire de l’antisemitisme (2003). Bregsteins centrale aanname is dat tot kort geleden het antisemitisme in de westerse wereld – na 1945 – verdwenen was. En daar zit hem meteen al het probleem, want dit is aantoonbaar onwaar. Dienke Hondius (door Bregstein in ander verband zelf aangehaald) liet in haar studie Terugkeer. Antisemitisme in Nederland rond de bevrijding zien dat er zelfs sprake was van een toename.

Er is hooguit een ‘pauze’ geweest in het antisemitisme in de periode na het verbreken van het stilzwijgen rond de Holocaust – na het Eichmann-proces – tot midden jaren negentig, toen Europa tekenen van ‘Holocaust-moeheid’ begon te vertonen. De rek was uit het schuldgevoel, vooral in landen waar geen enkel spoor te bekennen is van naoorlogse soul searching, zoals Oostenrijk en Polen. Maar ook in Nederland, waar zowel het voor- als naoorlogse antisemitisme onderwerp is van collectieve verdringing, is de aandacht voor de Holocaust duidelijk op zijn retour. Het is moeilijk te begrijpen waarom Bregstein, die bewijst wel degelijk inzicht te hebben in wat er speelt in Nederland, het Noord-Afrikaanse antisemitisme misschien niet groter, maar wel wijdverbreider maakt dan het is.

Anders dan Bregsteins nogal intuïtieve essays, is The Lure of Anti-Semitism een systematisch opgezette studie. Na een theoretische inleiding, waarin Michel Wieviorka, hoogleraar aan de École des Hautes Études en Sciences Sociales in Parijs, (te) veel ruimte besteedt aan de semantische kwestie van de naamgeving (judeofobie versus antisemitisme), volgt een aantal leerzame case studies: antisemitisme zonder joden in Roubaix, antisemitisme onder moslims in de gevangenis, antisemitisme in de multiculturele banlieue Sarcelles en in de piednoirs-gemeenschap in Marseille, de situatie in de Elzas, waar het Front National de grootste aanhang heeft van heel Frankrijk, extreem antizionisme op de universiteiten en antisemitisme en racisme op scholen.

Ressentiment

Wieviorka schakelde voor het veldwerk een team in van ervaren onderzoekers, promovendi en doctoraalstudenten. Door de nuchtere benadering verschaft deze combinatie van veldonderzoek en literatuurstudie een zeer helder beeld van de situatie in Frankrijk. Die is in sommige opzichten anders dan in Nederland. Frankrijk heeft een koloniaal verleden in Noord- Afrika, waardoor het ressentiment onder jongeren van Noordafrikaanse afkomst tegen de Franse maatschappij tamelijk sterk is. Bovendien is een groot deel van Frankrijks omvangrijke joodse gemeenschap (ca. 600.000) zelf geïmmigreerd vanuit Noord-Afrika, waar de oudste joodse gemeenschappen uit de Romeinse tijd dateren en waar later veel joden na de verdrijving uit Spanje in 1494 een nieuw, relatief veilig thuis vonden. Relatief: in vergelijking met hun in Europa wonende joodse tijdgenoten in vrijwel elke periode, behalve die na de oprichting van de staat Israël.

Hierover verschilt Wieviorka duidelijk van mening met Bregstein: waar Bregstein een impressionistisch beeld schetst van extreme vijandigheid ten opzichte van joden in Noord-Afrikaanse en Arabische kringen, laat Wieviorka een gedifferentieerder beeld zien, waarbij hij constateert dat de identificatie van Noord-Afrikaanse jongeren met de Palestijnen meer met hun eigen situatie te maken heeft dan met ideologie.

Wieviorka is zich bewust van de gecompliceerde relatie tussen antizionisme en antisemitisme en het probleem dat er geen scherpe lijn is tussen het ene en het andere verschijnsel – en, zou je willen toevoegen, dat er ook verschil is in de relatie tussen die twee onder inheemse Europeanen en onder (kinderen van) Noord-Afrikanen.

Negationisme

Een belangrijk inzicht in het Franse antisemitisme biedt Wieviorka met het duidelijk maken van het verband met het ‘negationisme’ (de Franse term voor revisionisme), dat in Frankrijk ontstond en bekend werd gemaakt door Robert Faurisson, die als eerste stelde dat de gaskamers een verzinsel waren en die nu een geziene spreker is in landen als Iran. Het Front National verspreidde het negationisme verder in Frankrijk, waardoor het in ultrarechtse tegenwoordig vrijwel gemeengoed is.

Dat Franse antisemitisme heeft, zo stelt Wieviorka en zo tonen ook de onderzoeken in zijn boek aan, vooral inheemse wortels: het traditionele kerkelijke antisemitisme en het 19de-eeuwse racistische antisemitisme. Ook het huidige islamistisch en Arabisch-nationalistisch geïnspireerde antisemitisme in het Midden-Oosten en Noord-Afrika is voor een groot deel gebaseerd op Europese antisemitische propaganda, zoals de tot vervelens toe overal opduikende Protocollen van de Wijzen van Zion. Dat betekent dat als sommigen spreken over het importeren van antisemitisme, zij eigenlijk moeten zeggen: het rondzingen, dan wel recyclen van het eigen, inheems-Europese antisemitisme.

Ondertussen is de tijdelijke aandacht voor de Holocaust en het daaruit voortkomende taboe op antisemitisme voorbij, maar in de periode dat de eerste generatie in Europa geboren kinderen van NoordAfrikaanse immigranten opgroeide, was dit anders. Hun eigen uitsluiting en discriminatie werden niet erkend, terwijl een gebeurtenis uit de Europese geschiedenis (WO II is niet alleen voor immigrantenkinderen, maar ook voor autochtone kinderen van niet-joden en niet-verzetsmensen ancient history) in extenso wordt behandeld op school. De frustratie die dit oproept, wordt geprojecteerd op joden, die als minderheid niet te lijden lijken te hebben onder discriminatie. Dit was een van de terugkerende thema’s in de praktijkonderzoeken. De identificatie met de Palestijnse zaak lijkt ook voornamelijk een expressie van het gevoel van uitsluiting.

Interessant is het geval van Sarcelles, een multiculturele banlieue, waar actief wordt gewerkt aan contact en respect tussen de verschillende gemeenschappen. Met resultaat, naar het lijkt, want de bevolking is tevreden en trots op zijn woonplaats. De enige uitzondering hierop wordt gevormd door de sefardische, uit Noord-Afrika afkomstige, joodse gemeenschap, die weigert deel te nemen aan multiculturele ontmoetingen en zich daarmee niet geliefd heeft gemaakt. Wieviorka concludeert dat er wel degelijk antisemitisme is in Frankrijk, maar minder dan hij had verwacht. Verder is er niet zo zeer sprake van een ‘nieuw’ antisemitisme als wel van het toevoegen van mondiale elementen, die worden gevoed door het conflict in het Midden-Oosten en het door internet en schotel-antennes verspreide islamisme. Het antisemitisme onder Noord- Afrikaanse immigranten zal afnemen, aldus Wieviorka, als de overheid zich inspant om gettovorming tegen te gaan, als de geschiedenis en historische wortels van immigranten worden erkend, en racisme voortvarend wordt bestreden. Die conclusie lijkt ook van toepassing op Nederland.