Eindelijk even uit de tunnel na veertien jaar

Christijan Albers (28) is weer autocoureur, in de Duitse toerwagenklasse DTM.

Hij wil weer lol krijgen in het racen.

Albers: „Formule 1? Ik mis de auto. Dat is het enige.” Foto Frits van Eldik
Albers: „Formule 1? Ik mis de auto. Dat is het enige.” Foto Frits van Eldik Eldik, Frits van

Zijn terugkeer in de Deutsche Tourenwagen Meisterschaft (DTM), afgelopen zondag op het circuit van Hockenheim, had Christijan Albers zich anders voorgesteld. Hij had nog maar net de vervelende gebeurtenissen van vorig jaar in de Formule 1 achter zich gelaten – na tweeënhalf jaar Formule 1 was hij in juli uit het team van Spyker gezet – of die ene andere voormalig Formule 1-coureur in de DTM, Ralf Schumacher, tikte hem met z’n Mercedes uit de race.

Nadat de debuterende Duitser met zijn twee jaar oude Mercedes tegen de even oude Audi A4 van de Nederlander was gereden, moest Albers al na twee ronden de pits in met een kapotte voorwielophanging. Als eerste van de negentien deelnemers kon Albers even later onder douche. Eén lichtpuntje: hij zette zaterdag een goede kwalificatietijd neer.

In de aanloop naar die race keek Albers vorige week terug op zijn jaren in de Formule 1, en sprak hij over zijn nieuwe ambities. In zijn witte overhemd en hippe voorgescheurde jeans speelde hij een thuiswedstrijd. Hoewel hij in Monaco woont, vond het gesprek plaats in Laren, de plaats waar hij opgroeide en als kind de wagens in het autobedrijf van zijn vader poetste. En waar hij het litteken onder z’n linkeroog opdeed, toen hij als negenjarig ventje tegen een half open motorkap aanliep. Deze zomer is het tien jaar geleden dat Albers bij Van Amersfoort Racing uit Laren in de Formule 3 zijn eerste internationale succes behaalde, op de Norisring in Neurenberg.

Toen droomde hij nog van de Formule 1. Inmiddels is zijn avontuur in de de belangrijkste autosportdiscipline alweer driekwart jaar geschiedenis. Albers reed bij de teams van Minardi, Midland en Spyker in de achterhoede – een ‘stoeltje’ in een topteam zat er voor de Nederlander niet in. Zuur voor iemand die de ambitie had wereldkampioen te worden.

„Nee”, klinkt het resoluut op de vraag of hij nog naar Formule 1-races kijkt. Sinds zijn laatste race, vorig jaar juli op Silverstone, heeft hij er niet een meer gezien. En er niks over gelezen. Albers wil er eigenlijk niks meer mee te maken hebben.

Dat lijkt vreemd, want de Formule 1 is een paar jaar zijn biotoop geweest. „Precies wat je zegt. Geweest. Maar waarschijnlijk zal ik dit seizoen wel vaak gaan kijken naar F1-races, omdat ik misschien als analist in de studio ga zitten. Dan moet ik kunnen uitleggen wat er in de race is gebeurd.”

Op een weinig elegante manier eindigde zijn carrière in de Formule 1. Een sponsor van de Nederlander zou zijn betalingsverplichtingen niet zijn nagekomen, luidde de lezing van het team, dus vloog Albers eruit. Maar zo eenvoudig lagen de zaken niet. Albers vocht zijn ontslag aan en na maanden touwtrekken werd zijn nog lopende contract afgekocht. Albers spreekt van een settlement, waar hij inhoudelijk niks over mag zeggen. „Het allermoeilijkste vind ik nog dat niemand weet wat er er precies gebeurd is. En dat zal ook niemand te weten komen, want daarvoor tref je een settlement. In mijn opinie hebben ze mij onterecht uit de auto gezet. Maar dat is nu opgelost. Klaar.”

Als sportman ‘pur sang’ kreeg hij naar eigen zeggen „gigantische klappen” en viel het niet mee zijn kaken op elkaar te houden over wat er allemaal misging bij Spyker, dat vorig jaar uiteindelijk door financiële problemen ter ziele ging. „Ik beschouw mezelf met veertien jaar race-ervaring als een professional, en als professional moet je alle shit intern houden.”

Albers werd het lachertje van het rennerskwartier toen hij vorige zomer in wat later zijn voorlaatste race zou blijken te zijn na een pitstop met een benzineslang aan zijn wagen wegreed, in de Grote Prijs van Frankrijk. „Wat op dat moment niemand ziet, is dat [teamgenoot] Adrian Sutil voor me staat als ik de pits in kom. Bij droog weer mag het natuurlijk nooit gebeuren dat er twee wagens van één team tegelijkertijd de pits in worden geroepen. En waar er één [Albers] een half uur moet wachten. Dan komt het vuur uit je helm, uit frustratie. Het is natuurlijk mijn fout geweest, maar het is ook geen kinderspel. Op het moment dat Sutil wegrijdt, roepen ze ‘komen, komen, komen’, ik rijd over een luchtslang, over wheelguns, maar dat zie je allemaal niet. Het was één grote puinhoop. Normaal gesproken zet je de auto in neutraal als je komt aangereden, maar dat kon nu niet omdat Sutil er stond. Alle automatismes waren verstoord. Je wordt omhoog gekrikt, maar dan zit je nog in je eerste versnelling en kun je de auto niet meer in neutraal zetten, met je stuur scheef. En het enige waar je aan denkt is dat je je rem moet intrappen voor die monteurs achteraan de auto. Want als je de koppeling laat gaan, zijn ze hun vingers kwijt. Dat zijn dus geen grappen en met dat soort dingen ben je bezig. Dan word je op de grond gegooid en onder normale omstandigheden selecteer je dan pas je versnelling. Maar omdat je het gas er vol op hebt staan om te voorkomen dat de auto afslaat, en de auto al in z’n één staat, rij je gewoon weg. En ook al zitten er twintig vrachtwagens aan vast, als een Formule 1-wagen wegrijdt, dan rijdt-ie echt weg hoor!” De lolly-popman van het team had zijn stopbordje nog niet weggehaald en daar ging Albers er met de benzineslang vandoor. „Ik was steeds een stap verder dan dat ik had moeten zijn. Maar ik neem liever de benzineslang mee dan de vingers van de monteurs, die twee jaar m’n maatjes zijn geweest.”

Zijn carrière in de Formule 1 beschouwt hij ondanks de tegenslagen niet als een mislukking. Hij wijst op de kleine persoonlijke succesjes. „Bij Minardi stond ik in m’n eerste jaar 15de op de grid in Montreal, en 13de in Suzuka, met een auto die nou niet echt succesvol was.” En in 2005 was er die vijfde plaats in de Grote Prijs van de VS, in Indianapolis. Een bizarre race: slechts zes wagens gingen van start, alle op Bridgestone-banden. De overige veertien vertrokken niet omdat de banden van leverancier Michelin te gevaarlijk waren om mee te rijden. „Wij Bridgestone-coureurs waren het hele jaar gefrustreerd dat Michelin zo sterk was. Als Michelin over de limiet gaat en het gevaarlijk wordt met die banden te rijden, dan heeft die partij gewoon verloren. Dat kon je de teams [Ferrari, Jordan, Minardi] die wel reden niet aanrekenen.”

Is er iets waar hij naar terugverlangt uit de Formule 1? „Ik mis de auto. Dat is het enige.” Vooral de wagens uit 2005 en 2006. Aan die auto’s kon ik nog veel doen om ze beter te maken.” Bij Spyker was dat anders. Daar betaalde hij vorig jaar zelfs nieuwe veren uit eigen zak. „Er waren geen middelen om het team beter te maken, geen budget. Dan ga je naar races toe waar je van tevoren weet dat je daar niet kunt verbeteren. Dat is best moeilijk. De lol was er vorig jaar al af aan het begin van het jaar. Ik vond het niet leuk meer, ik was gewoon op.”

Het plezier in de sport hoopt Albers terug te vinden bij het DTM-team van Colin Kolles, de man die ironisch genoeg zijn teambaas was bij het Formule 1-team van Spyker. Hij liet Albers vorig jaar weten dat er voor hem geen toekomst meer was bij dat team. „Ach”, zegt Albers, „hij was slechts de boodschapper.”

Tot aan zijn eerste DTM-test half december, in Spanje, leidde Albers een paar maanden een leven dat hij lange tijd niet had gekend. „Toen ik uit de auto was gezet, heb ik het rustig aan gedaan. Wat gas teruggenomen en geprobeerd een beetje van het leven te genieten, nadat ik veertien jaar in een tunnel had gezeten.” Er was opeens tijd voor familiebezoek en hij dronk weleens een glas rode wijn. „En eindelijk had ik tijd voor al het speelgoed dat ik in al die jaren heb gespaard. Mijn [speed]bootje bijvoorbeeld.”

Nu is Albers weer coureur en kijkt hij zelfs al vooruit naar volgend jaar. „Bij Audi kan ik doorgroeien.” Meedoen aan de 24 Uur van LeMans is in 2009 misschien een mogelijkheid. Het liefst had hij nu al een fabriekscontract gehad bij Audi. „Maar die waren al vergeven. En het is ook weer niet zo dat dat er coureurs opzij worden gezet als Christijan Albers er aan komt.” In zijn twee jaar oude Audi gaat hij proberen zich op te werken in de DTM. „Ik hoop op een jaar waarin ik weer lol kan hebben.” En als hij plezier in het racen heeft, zegt Albers, komen de prestaties vanzelf.