Die schoft is tenminste jong!

Na Philip Roth verdiepte ook de 80-jarige Martin Walser zich in een oudeherenverliefdheid. Want ‘bij mensen die werkelijk leven houdt de puberteit nooit op’, aldus de auteur in een interview.

Martin Walser Foto Jörg Carstensen/DPA Der Schriftsteller Martin Walser bei einer Lesung im Rahmen des Internationalen Literaturfestes "Lit. Cologne" am Freitag (29.02.2008) in Köln. An insgesamt zehn Tagen mit 150 Veranstaltungen werden bei der Lit.Cologne rund 270 Literaten und andere Künstler erwartet. Es werden 60.000 Besucher erwartet. Foto: Jörg Carstensen dpa/lnw +++(c) dpa - Report+++
Martin Walser Foto Jörg Carstensen/DPA Der Schriftsteller Martin Walser bei einer Lesung im Rahmen des Internationalen Literaturfestes "Lit. Cologne" am Freitag (29.02.2008) in Köln. An insgesamt zehn Tagen mit 150 Veranstaltungen werden bei der Lit.Cologne rund 270 Literaten und andere Künstler erwartet. Es werden 60.000 Besucher erwartet. Foto: Jörg Carstensen dpa/lnw +++(c) dpa - Report+++ picture-alliance/ dpa

Martin Walser: Ein liebender Mann. Rowohlt, 285 blz. € 23,90

Oude mannen die op jonge vrouwen vallen: het wekt wrevel. Zijn leeftijdgenoten dan niet goed genoeg voor die ouwe snoeperds? Verbeelden zij zich dan echt dat zij meisjes die hun kleindochters zouden kunnen zijn iets te bieden hebben?

De 80-jarige Martin Walser weet hoe provocerend het thema is en schrijft er steeds weer over. Dat deed hij al in Der Augenblick der Liebe en in Angstblüte en dat doet hij nu ook weer in zijn roman Ein liebender Mann. En ondanks de schandalige hoogmoed van zo’n oudeherenverliefdheid neemt de hoofdpersoon de lezer dit keer voor zich in. Die hoofdpersoon is dan ook geen gewone heer. Hij heet Johann Wolfgang von Goethe. Diens passie voor de 19-jarige Ulrike von Levetzow vond volgens Walser zijn weerslag in de ‘Marienbader Elegie’, een lang, smachtend gedicht dat echt bestaat.

Goethe, zowel de historische figuur als zijn naamgenoot in Walsers boek, was 73 toen Ulrike hem voor het eerst opviel. Of eigenlijk zag zij hem het eerst: ‘Voor hij haar zag had zij hem al gezien. Toen zijn blik haar bereikte was haar blik al op hem gericht’, luidt de juichende openingszin.

Gelukkig ziet Goethe er dan, in de zomer van 1823, nog verdomd goed uit. Gretig leest hij het bericht van een tijdgenoot over hem: ‘Dit hoofd! Dit lichaam! Deze houding! Schoonheid, adel, hoogheid!’ IJdelheid is hem niet vreemd, maar omdat Walser zo diep in zijn ziel binnendringt neem je daar toch geen aanstoot aan.

De verliefde Goethe, op vakantie in Mariënbad, doet als een kind zo blij mee met de spelletjes van Ulrike en haar zusjes. Vlijtig bedenkt hij net als zij afkortingen voor de gekste dingen en hun gebabbel vindt hij verrukkelijk. Daarbij is Ulrike méér dan een koket meisje uit de betere kringen. Ze spreekt Goethe vrolijk tegen en algauw ziet hij haar als een geestverwant met wie hij zijn leven wil delen.

Walser blijft heel dicht bij hem. Of hij nu de derde persoon gebruikt of de eerste (in brieven vooral), steeds leeft hij zich met hartstochtelijke gevoeligheid in zijn romanheld in. Dat hij daarbij pijnlijke details niet schuwt is juist een kwaliteit. Op een gekostumeerd bal heeft Goethe groot succes. Maar dan valt hij. Hard. Dat herinnert hem ineens weer aan zijn leeftijd.

De grootmeester van de Duitse Klassik, van de juiste maat, is zijn gevoelens niet langer de baas. Dag in dag uit laat hij zich vernederen. Want Ulrike, hoe aardig ze ook tegen hem, haar trofee, doet, beantwoordt zijn liefde niet. Zijn huwelijksaanzoek wijst zij af. Haar aandacht gaat uit naar een brutale graaf, die haar haast verkracht. Maar die schoft is tenminste jong, hij heeft toekomst en meneer Goethe niet.

Martin Walser schaart zich in een lange rij van oudere mannen die over de onweerstaanbare aantrekkingskracht van jonge vrouwen schrijven. Italo Svevo, Vladimir Nabokov en pas nog Philip Roth: zij allen maakten van het thema een tragedie. Walser wil ook tragisch zijn. Zijn Goethe lijdt wat af. Maar omdat er geen catastrofe, geen duidelijk gemarkeerd dieptepunt is, blijft bij hem de tragedie uit. En juist dát breekt zijn held misschien wel op: het gebrek aan vooruitgang, aan een doorbraak, aan echte verandering.

Ein liebender Mann is een monomane roman – die nergens saai wordt. Te mooi, te meeslepend zijn Walsers zinnen. Ze volgen het stijgen en dalen van Goethes lichaamstemperatuur, van de graad van zijn opwinding. Komt hij tot een bitter inzicht, dan zijn ze kort, die zinnen. Krijgt de euforie de overhand, dan stromen ze ademloos voort. Tussen woede en milde ironie, tussen hoopvolle hunkering en doffe berusting zwalken zijn stemmingen, en op wat vage herinneringen aan Napoleon na gaat de politiek geheel aan hem voorbij.

Wie meer over Goethes tijd wil weten, die kan beter Marbot van Wolfgang Hildesheimer of Lotte in Weimar van Thomas Mann lezen. Martin Walser doet geen enkele moeite om de vroege 19de eeuw tot leven te wekken. Kostuums interesseren hem niet en bij het reizen heeft Goethe geen oog voor het landschap. Hij schrijft en mijmert. Hij mijmert en schrijft. Hij schrijft om gezond te blijven. Maar hij noteert ook: ‘Voor het eerst helpt het niet, geschreven te hebben. Alleen schrijven helpt.’

Creativiteit, lijkt Walser te willen zeggen, drijft op een gevoel van gemis. Of, zoals hij in een interview beweerde: ‘Bij mensen die werkelijk leven houdt de puberteit nooit op.’ Walsers puberale oprispingen zijn voor de literatuur een zegen.