Wow! Dit is toch het ‘summum’ van lesgeven?

Geen woord over lerarenstakingen, urennormen of doorgroeimogelijkheden.

Vandaag deel 6 in een serie: ode aan het vak tekenen.

Illustratie Leonie Bos
Illustratie Leonie Bos Bos, Leonie

Na een pendeluur tussen twee schoollocaties loop ik halverwege het uur de school binnen. In mijn lokaal tref ik een vast clubje vwo 6-leerlingen aan. Mijn lokaal kan helaas niet op slot en in ruil voor de rust, de sofa en de pc met internet, letten zij in hun tussenuren een beetje op of er geen vreemde dingen gebeuren.

- ‘Maar kijk nog eens goed, wordt de compositie niet te statisch als ik deze schets als uitgangspunt neem…?’

- ‘Ik denk dat je met kleur kan proberen er meer spanning in te krijgen, en je lijnvoering is bij die schets krachtiger.’

- ‘Ja, maar waar komt dat nu precies door…’

Langzaam dringt het tot me door. Hier is een goede inhoudelijke discussie bezig over de beeldende kracht van de werken van een van de leerlingen. Spontaan ontstaan, zonder docent in de buurt.

Wow! Dit is mooi! Is dit niet het ‘summum’ van lesgeven? Leerlingen die zodanig gemotiveerd zijn om er voor zichzelf het maximale uit te halen, dat ze geen dwang van docent en lesrooster meer nodig hebben. Ik gooi mijn tas en jas neer en ga met een heerlijk gevoel nog wat doen voor mijn volgende les weer begint, met een ietwat gemene glimlach denkend aan al dat theoretische gezeur over het motiveren van ‘de moderne leerling’, en vooral het grote probleem dat dit voor velen schijnt te zijn.

Ik geef tekenen; een leuk vak.

Dit vak is al decennia lang een examenvak op de school waar ik werk. Het fijne is dat de status van het vak hierdoor dus hoog is. Het wordt door de directie, de collega’s en de ouders van de leerlingen over het algemeen behoorlijk belangrijk gevonden. Hierdoor hoef ik mijn vak niet te verdedigen tegenover een achterlijke maar helaas nog al te vaak gehoorde opvatting van mensen die het ‘maar een vak achter de streep’ vinden. Dit stimuleert mij in ieder geval om in het onderwijs te blijven. Want eerlijk is eerlijk; als ik in het bedrijfsleven was gaan werken had ik misschien nog wel mijn 2cv’tje gehad, maar dan zou die niet van ellende uit elkaar vallen, of zou er een auto naast staan waar wel verwarming in zit.

Nee, voor het geld hoef je het niet te doen, en een overheid die er écht helemaal geen verstand van heeft stemt ook somber, maar het heerlijke gevoel om met mensen te werken weegt nog steeds veel en veel zwaarder. Ieder uur schuiven (of stuiteren) in de onderbouw tot 32 (ja, het zijn gênante getallen voor een land als Nederland!) leerlingen mijn klas in. Iedere week spreek ik meer dan 300 mensen toe. Maar ik luister ook naar ze, help ze als ze het nodig hebben, stuur ze de richting van verantwoordelijk ‘burger’ in…en heb vooral keiveel lol met ze!

Na de invoering van de tweede fase is er de mogelijkheid gekomen voor scholen om ckv 2 en 3 in te voeren. Deze vakken zouden het oude tekenen moeten vervangen en richten zich meer op een multidisciplinaire cultuurgeschiedenis en een praktijkcomponent over minimaal twee kunstdisciplines. Onze school heeft destijds besloten ‘voorlopig’ deze vakken niet in te voeren en de oude koers te blijven varen. Reden was onder meer een urenafname en mogelijke vervlakking door verbreding, een vaker gehoorde kritiek op de tweede fase. Hoe dan ook;, tekenen oude stijl staat nog steeds als een huis bij ons op school. Het niveau van de praktijk staat landelijk in de top, en wat theorie betreft doen we het zeker niet slecht.

De kern van het vak is de praktijk, en daar zijn ook de meeste uren voor ingeruimd in het curriculum. Leerlingen leren door schetsen te maken hoe ze hun ideeën in hun hoofd het sterkste ‘in beeld’ kunnen krijgen. De verschillende onderdelen waaruit een beeld is opgebouwd (kleur, vorm, inhoud, enz.) worden gestructureerd door hen onderzocht. Stap voor stap ervaren de leerlingen dat een beeld meer is dan alleen maar een ‘plaatje’. Dat de lijn waarmee je iets tekent op zichzelf al een onderwerp kan zijn, en dat de zoektocht naar wat wel beeldende kwaliteiten heeft net zo interessant is als het resultaat. Hieruit volgt hun eigen, persoonlijke conclusie. Ik ben nu toevallig de scripties aan het nakijken van de leerlingen waarin ze hun eigen werk analyseren, en blijf me verbazen over het niveau waarop ze iedere penseelstreek en iedere kleur die ze in hun eigen werk hebben gebruikt kunnen verantwoorden. Ik ben supertrots op mijn leerlingen, en zij mogen supertrots zijn op zichzelf!

En dat zijn ze ook. Iedere leerling maakt gedurende zijn schoolloopbaan persoonlijke werkstukken die door mij, medeleerlingen en zeker door zichzelf gerespecteerd en gewaardeerd worden. Ze hebben er iets van geleerd en tegelijkertijd zelfstandig iets van bijzondere waarde gemaakt. Juist dit feit maakt het gemakkelijk om de leerlingen te motiveren, en er in de klas een superleuke werksfeer van te maken.

Het bijzondere en voor mij ook het spannende, is dat iedere leerling zijn eigen richting ingaat. De lessen zijn dan uniek op school. De leerlingen werken op den duur namelijk geheel zelfstandig aan hun eigen collectie schetsen en als docent begeleiden we de leerlingen individueel in werkbesprekingen. Dit gegeven maakt het voor leerlingen aantrekkelijk om met het vak verder te gaan na de onderbouw. Het zijn heerlijk praktische uren tussen al die uren theorie, waarbij de radio aangaat en op de lange zittingen is er zelfs altijd genoeg ongezonds te eten en te drinken.

Randvoorwaarden voor deze manier van werken zijn een goed uitgerust lokaal en kleine lesgroepen. Het Mencia voorziet voor de bovenbouw gelukkig in beide. Helaas is dit niet overal het geval. Als tweede corrector maak ik mee dat het eindexamenwerk op andere scholen van zeer bedenkelijk niveau is. Uit gesprekken met de vakdocent blijkt dan dat de directie werk van een hoog niveau onmogelijk maakt.

Maar goed. Onze leerlingen komen van school af met een enorme beeldende bagage. Na vijf of zes jaar intensieve beeldende vorming behoren zij tot een groep mensen die visueel sterk staat. Ze kunnen zich op gedegen wijze in beelden uitdrukken. Dit zijn belangrijke vaardigheden. Leerlingen kunnen uit het dagelijkse bombardement aan visuele indrukken beelden selecteren, sturen en op waarde inschatten. Nog internationaler en breder inzetbaar dan de grote wereldtalen, is toch echt de taal van het beeld!

Ieder jaar stroomt weer een groep naar opleidingen waar ze deze vaardigheden verder ontwikkelen; een kunstacademie, een grafische lyceum, of aan een universiteit industrieel ontwerpen, kunstgeschiedenis of algemene cultuurwetenschappen.

Iedereen heeft een oordeel kunst. Bij mijn leerlingen is dit ook een heerlijke uitdaging. Hoe leg je een 16-jarige uit wat conceptuele kunst is, of dat de minimalisten, hoe ontoegankelijk ook, toch echt kunstenaars waren. Stap voor stap krijgen de leerlingen te maken met kunst. Van de ‘oude zooi’, via moderne kunst naar hedendaagse kunst. Halverwege dit leerproces gaan we ieder jaar naar Brussel, om daar de collectie ‘oude’ en ‘moderne’ kunst te gaan zien. Nadat ze eerst hadden genoten van de ambachtelijke vaardigheden en de mooie schilderijen van de oude kunst, viel mijn klas me bijna aan toen ik op de moderne afdeling beweerde dat we echt met serieuze moderne kunst te maken hadden. ‘Dit kan je niet serieus nemen!’ Diezelfde groep nam ik een jaar later mee naar museum Boymans in Rotterdam, waar ze snel en ongeduldig langs de oude meesters liepen, om daarna gefascineerd de modernen te gaan bekijken, en zich verwonderen over zaken waar kunstkenners nauwelijks aan toekomen. Laatst zijn we naar museum De Pont in Tilburg geweest. (‘het echte werk’) en dan zie je leerlingen dolenthousiast worden van werk dat absoluut niet toegankelijk is en waarvan ze twee jaar eerder nog gillend zouden zijn weggelopen.

Joep Jansen (29) heeft de Academie voor Beeldende Vorming in Tilburg gedaan en geeft nu voor het zevende jaar les op het Mencia de Mendoza lyceum in Breda en Mencia Sandrode in Zundert