Verboden elftal speelt voor respect en vrij Tibet

Ook Tibetanen spelen voetbal, maar doen dat gedwongen in de anonimiteit. Deze week is het elftal in Nederland. „Ik voetbal voor mijn volk en mijn bloed. Is dat zo slecht?”

Wie zijn dat toch? Je ziet het de fietsers, wandelaars en joggers in het Vondelpark van Amsterdam zich afvragen. Jongens met een truitje aan waarop in grote letters ‘Tibet 08’ staat gedrukt. Ze moeten op de foto. Bij een volgende foto hebben ze allemaal een voetbalshirt aan, rood-blauwgestreept. Een van hen heeft zelfs één een muts op. ‘Free Tibet’ staat er op.

Voetballers uit Tibet? Jazeker, daar voetballen ze ook, zoals overal in de wereld. Maar deze jongens in jeans, met moderne kapsels en met mobiele telefoontjes in hun hand, komen niet uit Tibet. Ze zijn tussen de twintig en dertig jaar en wonen in India of Nepal. Hun ouders en voorouders zijn wél in Tibet geboren. In de tijd vóór de Chinese onderdrukking, die ruim vijftig jaar geleden begon. Maar daarom zijn ze niet minder trots om Tibetaan te zijn. En om in het rood-blauw van Tibet te voetballen.

Of ze goed kunnen voetballen, doet er weinig toe. Ze doen het met overgave. Vooral nu, vlak voor de Olympische Spelen in China, laten ze graag zien wie ze zijn en waar ze voor staan. Een van hen, de 21-jarige middenvelder Meyor Tenzin Tsering, heeft zijn hoofd kaalgeschoren als eerbetoon aan zijn geplaagde familie in Chinees Tibet en draagt een muts met de tekst ‘Free Tibet’. Alleen voor de foto staat hij zijn muts af aan zijn coach Kelsang Dhundup.

De elf jongens en hun coach zijn een weekje in Nederland, op uitnodiging en op kosten van de Nederlandse Stichting International Campaign for Tibet. Zondag spelen ze in Amsterdam op het Ticket-for-Tibet-festival. Maandag krijgen ze in Heerenveen een training van Foppe de Haan, de coach van het Nederlands olympisch voetbalteam. Een man met een uitgesproken mening over China en de schending van de mensenrechten, zoals in Tibet.

„Who?”, vraagt coach, manager en secretaris-generaal en enige betaalde functionaris van de Tibetan Sports Association, Kelsang Dhundup. Foppe de Haan, de beste coach van Nederland. „O, dan kan hij onze coach worden na de Olympische Spelen. Wij zoeken nog een goede coach. Ik heb eigenlijk te weinig tijd. En wij zoeken ook een fysiotherapeut. Ik moet alles doen. Weet u iemand?”

The Forbidden Team, zo wordt het Tibetaans voetbalelftal genoemd. Verboden, want dit elftal is niet welkom in de voetbalgemeenschap. De Tibetan National Sports Association wordt niet geaccepteerd door het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en niet door de wereldvoetbalfederatie FIFA. Niemand – geen voetbalinstantie, geen voetbalclub, geen voetbalspeler en geen voetbalcoach – durft zich te associëren met het ‘verboden’ elftal. „Iedereen is bang voor de macht van China. Zodra een persoon of instantie die lid is van de internationale voetbalgemeenschap contact met ons heeft, grijpt China in. Dan worden meteen boodschappen naar het IOC en de FIFA gestuurd, gaan de Chinese ambassadeurs protesteren en dreigt China met handelsboycots. Wij voetballen alleen. Maar we mogen niet voetballen onder de Tibetaanse vlag en niet in een Tibetaans shirt.”

Begin deze week kwam de selectie – bijeengezocht door de coach tijdens toernooitjes en competitiewedstrijden in India – voor de reis naar Europa bijeen in een klein hotel in Delhi, India. „Het wemelde van de politie in het hotel. We worden overal gevolgd. Steeds meer, we vormen met z’n allen een besmettelijke ziekte”, zegt coach Dhundup. „Wat er de laatste maanden is gebeurd aan politieke ontwikkelingen is opmerkelijk. Dat had ik niet verwacht. Wij zijn echt niet anti-China. Wij zijn een volk dat gerespecteerd én geaccepteerd wil worden. We leven in ballingschap en worden niet behandeld als mensen door de internationale voetbalgemeenschap. Waar is dan de liefde en broederschap die het IOC en de FIFA zegt te willen bereiken door sport? Ik geloof in liefde en vrede. Maar sport en voetbal hebben er niets mee te maken zolang IOC en FIFA bang zijn voor de economische macht van China.”

Kelsang Dhundup en zijn jongens verblijven dezer dagen in de Stayokay (een jeugdherberg) aan het Amsterdamse Vondelpark. Niet vervelend. Appelmoes op tafel, so what? Maar ze willen als boeddhisten wel elke dag na de maaltijd gezamenlijk mediteren. Dhundup heeft er wat op gevonden. Gewoon op de slaapzaal. Mediteren, loslaten en in alle rust de zinnen zich laten rangschikken. Overdenken wat de familie in Tibet nu meemaakt, waar de pijn zit, overdenken hoe vrede te maken. Namgyal Tenzin, de keeper, zegt: „Door meditatie voelen we ons sterk en relaxed. We worden rustig en leren inzien waarom we bezig zijn om deze wereld te veranderen in ons maar ook in andermans voordeel. Ik kan niet zonder meditatie. Daar zijn we mee opgegroeid. Bezinning is wat mijn leven bepaalt.”

Denen maakten vier jaar geleden een film van The Forbidden Team. Over hoe een tijdelijke Deense coach probeert Tibetanen te leren voetballen op een westerse manier. Dus niet op een boeddhistische manier: zonder agressie, met respect voor de tegenstander. Tijdens een training in de Indiase Tibetaanse nederzetting Dharamsala legt een boeddhistische monnik uit hoe samenwerking, acceptatie en spelsystemen kunnen leiden tot verheldering en verlichting van de geest.

The Forbidden Team zou – getuige de film die vandaag op het Sportfilmfestival in Den Bosch wordt vertoond – in Denemarken een wedstrijd spelen tegen Groenland, een min of meer Deense provincie. Alles zat tegen. Tibetaanse spelers in India kregen geen uitreisvisum, Chinese bedrijven dreigden hun handelsbetrekkingen met Denemarken stop te zetten, Tibetaanse spelers in Europa zegden af uit vrees voor een schorsing. De Deense sponsor van sportartikelen, Hummel, dreigde te worden geboycot. Coach Dhundup: „We zijn besmet alsof we een ziekte hebben. Waar is de sport die vrede wil? Het is spel, maar de voetbalwereld maakt er politiek van.”

De wedstrijd werd gespeeld, in Denemarken. Groenland won, 4-1. Maar er waren een paar duizend toeschouwers. Daar ging het om. En zo speelt Tibet af en toe een wedstrijd tegen een ander team dat officieel niet tot de internationale voetbalgemeenschap behoort. Een toernooi in Duitsland, waar de ‘linkse’ club St. Pauli elftallen uit bijvoorbeeld Groenland, Gibraltar, Noord-Cyprus en Zanzibar uitnodigt.

Tibetanen zijn er overal. Ze voetballen in Indiase, Nepalese en andere competities. Ze zijn ook in Nederland. Tibet heeft voetballers nodig om te laten zien dat het volk een eigen identiteit heeft. Het team is sinds 1998 georganiseerd. De voetbalbond is gevestigd in Dharamsala, waar ook Zijne Heiligheid, de spirituele leider van boeddhistisch Tibet, Tenzin Gyatso, de veertiende Dalai Lama residentie houdt. Dhundup beseft het elke week wanneer hij naar de lezing van de Dalai Lama gaat. „Hij heeft ons vorig jaar 10.000 euro geschonken en ons shirtje aangetrokken. Hij is voetballiefhebber. Als jongen deed hij niets anders dan in zijn paleis voetballen. Hij is onze steun. Niet dat hij de waarheid predikt. Hij vertelt mij dat mensen ondoorgrondelijk zijn en dat we dat moeten accepteren.”

Volgende week trekt het verboden team naar Italië en dan Zwitserland en Oostenrijk voor toernooitjes, en keert dan terug naar Nederland. In de hoop te kunnen voetballen tegen jonge mannen die ook graag voetballen. Nooit hebben ze gewonnen in Europa. „Dat komt vast wel”, zegt de coach. „Als iedereen in de voetbalgemeenschap zich realiseert dat er meer is dan geld.” En Cheyphel Tenzin: „Ik weet niet wat er werkelijk gebeurt. Welke media kun je geloven? Als ik bel met Tibet, wordt de verbinding verbroken. Internet en televisie worden afgebroken of vertrouw ik niet meer. Ik geloof in vrede en plezier. Daarom voetbal ik ook, voor mijn volk en mijn bloed. Is dat zo slecht?”

Kan Nederland nog wat doen? Coach Kelsang Dhundup kijkt om zich heen in de Stayokay aan het Vondelpark. „Ik zie alleen jonge mensen. Dat kan geen toeval zijn. Deze mensen moeten weten wie we zijn. Hun leider moet straks zeker naar Peking gaan om bij de opening van de Spelen te zijn. Maar hij mag niet zwijgen. Hij moet iets zeggen. Wie zwijgt stemt toe.”

    • Guus van Holland