Veilige tramkaartjes

Makkelijk, snel en veilig: dat zou de ov-chipkaart worden. Maar het verschil tussen een slogan en de realiteit werd staatssecretaris Huizinga (Verkeer, ChristenUnie) gisteren nog eens duidelijk gemaakt door de meeste oppositiepartijen in de Tweede Kamer. In werkelijkheid is alleen al de productie van het nieuwe vervoersbewijs annex betaalmiddel een beleidsmatige nachtmerrie. Laat staan dat er sprake kan zijn van invoering per 1 januari 2009, zoals was voorgenomen door de vorige minister van Verkeer en Waterstaat. Voor de oppositie, minus D66 en SGP, was dit voldoende aanleiding om een motie van wantrouwen in te dienen tegen de staatssecretaris. Maar dat was in dit geval een futiel gebaar.

De weg naar een nationaal vervoerbewijs verloopt moeizaam en het resultaat is onvoldoende beveiligd. Dat laatste bleek recentelijk weer toen een student van de Radboud Universiteit de chip kraakte van de wegwerpversie van de kaart. Want om de boel wat minder eenvoudig te maken: niet alleen is de chipkaart betaalmiddel én vervoerbewijs, er worden ook nog eens drie versies ontwikkeld. Een persoongebonden, een anonieme en een kartonnen wegwerpversie.

Kern van de zaak is dat de Tweede Kamer zelf het project al eerder „op afstand heeft gezet”. Dat wil in dit geval zeggen dat vijf grote openbaar vervoerbedrijven, samenwerkend in Trans Link Systems, verantwoordelijk zijn voor het project. Huizinga zegde in een debat over de eerste kraak van de chip in januari wel toe dat zij „de regie” wilde houden. Dat was minder handig. Deze week werd bekend dat de Royal Holloway University of London (RHUL) ernstige kanttekeningen plaatst bij het project. Daarop uitte Huizinga, terecht, twijfels aan de haalbaarheid van de invoeringsdatum. Met als gevolg dat met name GroenLinks en SP gisteren met klem wilden weten hoe het zat met die regie van de staatssecretaris. De politieke schade voor Huizinga is beperkt gebleven. Immers, een oude Haagse wet zegt dat een verworpen motie van wantrouwen automatisch het vertrouwen van de Kamer in een bewindspersoon onderstreept.

Maar de kwestie kan wel dienen als waarschuwing aan het adres van beleidsmakers die regelmatig te groot vertrouwen stellen in wat automatiseringstechniek vermag. Te vaak wordt daarbij bovendien achteloos met de bescherming van de privacy van de burger omgegaan. Wat dat betreft zijn er parallellen met de kwesties van de stemcomputer of de paspoortchip: ook daar was vertrouwen in ICT misplaatst en bleken persoonsgegevens niet veilig.

Reizigers die gebruik maken van het openbaar vervoer, zitten er niet op te wachten om elektronisch te worden gerold. Of op de speciaal op hen toegesneden aanbiedingen die vervoerders straks dankzij kennis van reispatronen kunnen versturen. Gelukkig is er altijd nog de strippenkaart, zoals de staatssecretaris gisteren ook benadrukte. Landelijke uniformering en automatisering zijn voor de aanbieders van openbaar vervoer interessante targets. Maar de burger heeft behoefte aan openbaar vervoer dat betaalbaar, snel en veilig is.