Of juist zonder hoofddoekje?

De islam is één aspect van de identiteit van moslimjongeren.

Maar hoe meer ze als moslim worden gezien, hoe sterker ze zich moslim voelen.

Foto Hollandse Hoogte, bewerking fotodienst NRCPortretten Walter Herfst
Foto Hollandse Hoogte, bewerking fotodienst NRCPortretten Walter Herfst Hollandse Hoogte;Fotobewerking Fotodienst NRC

Het hoofd van het islamitische meisje is altijd onderwerp van gesprek. Als er een hoofddoek omheen zit, moet ze uitleggen waarom ze die draagt. Zit er geen hoofddoek omheen, dan wordt haar gevraagd waarom niet. Ze moet zich verantwoorden als ze op school is, bij de sportclub of op het werk. Ze moet uitleg geven aan moslims en aan niet-moslims. Ze wordt, kortom, constant aangesproken op haar moslimzijn.

Ook islamitische jongens worden door anderen allereerst als moslim gecategoriseerd. Het is, zegt antropoloog Martijn de Koning, dus niet zo gek dat de islam een belangrijk onderdeel is van de identiteit van moslimjongeren. Hij onderzocht hoe Marokkaans-Nederlandse jongeren tussen de 12 en 20 jaar hun religieuze identiteit vormen. Vandaag verdedigt hij zijn proefschrift aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij wilde weten hoe moslims zichzelf zien in een tijd dat er steeds meer aandacht is voor de islam van niet-moslims. En welke rol, vroeg hij zich af, speelt de opkomst van de (orthodoxe) Salafi-bewegingen. En het belang dat de ouders hechten aan de islam.

Martijn de Koning onderzocht dat op een onconventionele manier. Hij verschanste zich een aantal jaar in de Marokkaanse moskee Nour in Gouda. In de lokalen voor huiswerkbegeleiding om precies te zijn, op de begane grond voor de jongens, op de zolder, boven de met rode tapijten bedekte gebedsruimte, voor de meisjes. Dat was de deal met de moskee: De Koning mocht onderzoek doen, maar als tegenprestatie zou hij de jongeren helpen bij hun huiswerk en helpen bij het organiseren van activiteiten voor hen. „Het kon niet beter”, zegt hij. „Tussen het huiswerk maken door, praatten we over alle andere zaken die hen bezig hielden.”

En dat is sport. Vrienden. School. Andere activiteiten. Én de islam. Natuurlijk, zegt De Koning, die in 1999 met zijn onderzoek begon. „Ze zijn er mee opgegroeid, het is deel van wat ze zijn. Van hun ouders krijgen ze te horen wat volgens de islam haram (verboden) is en wat halal (toegestaan). Ze worden geacht daarnaar te leven. De islam geeft hun houvast. Vanuit dat kader kunnen ze de buitenwereld tegemoet treden. Maar daarbinnen zoeken ze een eigen weg. De Marokkaans-Nederlandse jongeren in de moskee afficheren zich het liefst als moslim, niet als Marokkaan. De Koning: „Marokkaans-zijn heeft dan al een negatieve connotatie. En dat is sindsdien alleen maar sterker geworden. Marokkaanse jongeren proberen het negatieve imago te ontlopen door zich niet als Marokkaan, maar als moslim te presenteren. Een moslim zijn én een Nederlander gaat prima samen, vinden ze, al zijn er dan culturele verschillen.”

Sinds 2001 volgen een aantal gebeurtenissen elkaar op die de hang naar de islam van de jongeren sterk doet toenemen. In de zomer van 2001 noemde imam Khalil El Moumni homo’s in het televisieprogramma Nova onder meer ‘besmettelijk ziek’ en ‘lager dan honden’. Net na de zomervakantie, de gemoederen zijn weer bedaard, volgen de aanslagen op 11 september in de Verenigde Staten. Pim Fortuyn bepaalt voor een belangrijk deel het politieke klimaat, VVD-politica Ayaan Hirsi Ali doet allerlei uitspraken over de islam en komt met de film Submission. In 2004 wordt de cineast Theo van Gogh vermoord. De Koning: „Ik zag het in de moskee. Tijdens de huiswerkbegeleiding ging het vooral daarover. Ik zag vijftienjarigen, vwo’ers én vmbo’ers, na schooltijd binnenkomen met de Volkskrant en met NRC Handelsblad. Ze wilden weten wat er over moslims geschreven werd. En vooral ook hóé.”

„Voor het eerst ontstond het gevoel”, zegt De Koning, „dat er een grote tegenstelling bestaat tussen moslims en Nederlanders, dat het wellicht toch niet kan samengaan. Dat is nieuw. In discussie met autochtonen moeten moslims voortdurend verantwoording afleggen. „Mag je van de islam iemand doden omdat hij kritiek heeft of beledigt?” Autochtonen willen het weten, maar moslims vragen het zich ook af. Het leidt tot een sterkere hang naar de islam. Veel jongeren zoeken naar een zo rein en zuiver mogelijke islam, de islam uit de tijd van de profeet. Die zuivere, authentieke islam geeft hun in discussie met andere moslims en niet-moslims kracht en legitimiteit. Ze zetten zich af tegen de islam van hun ouders. Ze vinden dat die islam te veel is vermengd met Marokkaanse cultuur.

„In de praktijk leidt dat tot een obsessie met regels en rituelen”, zegt De Koning. „Bidden, vasten, ritueel wassen, ze willen precies weten hoe het hoort. Vaak vragen ze via internet elkaar, of religieuze autoriteiten, om raad.” De Koning volgt in islamitische chatrooms talloze discussies. „Het gaat bijvoorbeeld over de pil, mag je die binnen het huwelijk gebruiken? Maar er wordt ook heftig gediscussieerd over de oorlog in Afghanistan.”

Leven deze jongeren ook allemaal als orthodoxe moslims? De Koning: „Een klein aantal wel. Voor hen wordt precies leven volgens de islam een levensdoel. Maar verreweg de meesten niet. Als je een jongen vraagt of hij vijf keer per dag bidt, zegt hij ‘ja’. Omdat hij vindt dat hij dat zou moeten doen. In praktijk gebeurt dat niet. De islam is één van hun loyaliteiten. Zo maken ze vaak een pragmatische afweging.” Hij geeft een voorbeeld: Een van de jongens uit de moskee ging stagelopen in een restaurant. Hij moest wijn schenken, hetgeen volgens de islam verboden is. Hij deed het toch. Want, zei hij, in de Koran staat dat je moet zorgen voor een opleiding en werk.

De Koning: „Door hen altijd als moslim aan te spreken, maken we hen religieuzer dan ze zijn. Die hoofddoek, bijvoorbeeld, dragen ze misschien alleen maar omdat hun moeder of hun vriendin het ook doet.”

Nog een voorbeeld. „Het Suikerfeest is heel belangrijk voor moslims”, zegt De Koning. „Vooral het sociale aspect ervan, het samenzijn met familie en zo. Maar niet drie dagen achter elkaar. Na twee dagen zijn ze het zat. Dag drie ging ik in de McDonalds zitten en, ja hoor, daar kwamen ze.”

Voor zijn vervolgonderzoek dat Martijn de Koning bij het ISIM (international institute for the study of islam in the modern world) doet, kan hij niet meer terecht in de McDonalds. Want dan richt hij zich op de kleine groep jongeren die niet alleen wil leven volgens de regels van de zuivere islam, maar het ook zo goed mogelijk doet.

De islam is heel flexibel

Naam: Yassin Abouyaala

Leeftijd: 32

Beroep: bestuurslid moskee Nour, volgt studie voor islamitisch geestelijk verzorger

„Zes jaar oud, was ik, toen mijn ouders me van Waddinxveen naar Marokko stuurden om Arabisch te leren en me te verdiepen in de islam. Dat vonden ze belangrijk. Jarenlang woonde ik bij mijn tante en mijn neven. Echt, ik vond het er heerlijk. Ik heb veel geleerd, lang niet alleen op school maar ook van de mensen om me heen.

Op mijn zeventiende kwam ik terug naar Nederland. Aanvankelijk ervoer ik hier een grote leegte. Ik moest Nederlands leren, ik ging naar de meao terwijl ik in Marokko piloot had willen worden. Ik was niet op zoek naar een identiteit. Die had ik al gevonden. In de islam. Maar ik miste mijn vrienden uit Marokko die dezelfde intentie in het leven hadden als ik. Met intentie bedoel ik dat alles wat je doet een islamitische activiteit wordt. Alles wat je doet, doe je omwille van Allah.

Ik kan dat uitleggen. Je kunt sporten omdat je wilt afvallen. Je kunt ook sporten omdat het gezond is. Als je gezond bent, kun je vaker naar de moskee, makkelijker vroeg opstaan om te bidden en heb je meer energie om je in te zetten voor andere mensen. Als je zo denkt, leef je niet zomaar omdat je nu eenmaal leeft. Nee, dan heeft alles wat je doet een missie. Pas toen ik in Nederland jongens had gevonden die met dezelfde intentie leven als ik, begon ik me thuis te voelen.

Marokkaanse jongeren hebben vaak weinig kennis van de islam. Het viel me op toen ik ze op school vragen hoorde stellen als: ‘Mag je je haar kammen tijdens het vasten?’ Toen dacht ik: hier is werk te doen. Ik ging me voor islamitische jongeren inzetten in moskee Nour en moskee Assalam. Ik kwam al vaker in die moskeeën, maar sinds 2000 woon ik in Gouda en werd het frequenter.

De jongeren zien dat ik me vroom gedraag. Ik ga niet naar de disco. Ik heb het nooit gedaan. Het mag niet van de islam, het is gemengd, er wordt alcohol geschonken, er wordt gedanst en drugs gebruikt. Islamitische jongeren die het wel doen, zijn in overtreding. Maar dat weten ze ook. Ik bega ook overtredingen. Ik ben ook een mens. Maar daarom heeft Allah ook vele namen die ‘berouwvolle’ betekenen. We kunnen altijd berouw tonen.

Als je hier als moslim leeft, moet je je aanpassen aan het land. Dat kan eenvoudig. De islam is een heel flexibel geloof. Ik leg dat altijd uit aan de hand van de zin: ‘Wacht niet doden’. Als je zegt: ‘ Wacht, niet doden!’ dan betekent het: ‘Niet doden!’ Zeg je: ‘Wacht niet, doden!’ dan is het een bevel tot moord. Het gaat erom, waar je de komma zet. Zo is het ook met de islam. Je kunt die heel strikt interpreteren, maar ook heel rekkelijk. Het is maar net waar je de komma zet.”

Ik heb mijn draai in Nederland gevonden

Naam: Chahid el Haddouti

Leeftijd: 28

Beroep: projectleider straathoekwerk in Gouda

„Met tegenzin kwam ik op mijn elfde naar Nederland. Mijn vader werkte hier als gastarbeider, ik woonde met mijn moeder en zes broers in Tanger. Dat is een wereldlijke stad, we kwamen van een groot huis in een kleine flat in Gouda terecht.

We gingen naar moskee Nour. Mijn ouders gaven het voorbeeld, maar we werden tot niets verplicht. Ik heb het altijd als een heel prettige moskee ervaren, je kan er jezelf zijn. Jarenlang heb ik me ingezet voor de jongeren daar, samen met Martijn de Koning, als huiswerkbegeleider, maar ook door activiteiten te organiseren.

Ik ben gelovig moslim, ik bid bijvoorbeeld vijf keer per dag. Het geeft steun en structuur. Ik verdiep me in het geloof. Dat zeg ik ook tegen de jongeren: laat je geen dingen aanpraten. Luister naar de preek, maar denk ook zelf na. Wees kritisch.

Ik zie jongeren, zeker na sinds 2001, worstelen met hun plek in Nederland. Veel jongeren voelen zich niet geaccepteerd. Ze hebben het gevoel dat ze, ook met een goede opleiding, als minderwaardig worden beschouwd. Dat maakt het makkelijker om zich totaal in de islam te verliezen. In de moskee zag ik soms jongeren die opeens heel religieus werden. Ze willen graag ergens bijhoren. Iedereen wil ergens bijhoren. De laatste tijd zie je jongeren opeens in Afghanistankleding lopen. Een lange jurk over een dunne wijde broek. Die kleding is gemaakt om de hitte in Afghanistan te verdragen, hier is het veel te koud. Als je daarin gaat lopen, wil je shockeren. Ik vind dat zot. Natuurlijk krijg je dan geen baan. Pas je aan, zeg ik dan.

Ik hou helemaal niet van dat slachtoffergedoe. Er zijn hier zoveel kansen, je moet ze grijpen. Ik heb dat gevoel altijd sterk gehad. Het was niet makkelijk om, net uit Marokko, hier de middelbare school volgen. Maar ik wilde per se slagen. Ik heb een hbo-opleiding gedaan, rolde van de ene baan in de andere. Ik heb echt m’n draai in Nederland gevonden. Ik zeg ook altijd als me het wordt gevraagd: ‘Ik ben Ne-der-lan-der!’

Toch is de sfeer hier de laatste jaren anders. Minder leuk. Je kunt je er niet aan onttrekken. Je bent onderdeel van een groep. Je leest het in de krant, je ziet het op televisie. Ik ga altijd in debat als mensen mij aanspreken op mijn moslimzijn. Maar de lol is er wel een beetje af. Sinds een jaar ben ik getrouwd met een meisje uit Marokko. Zij voelt die vervreemding in Nederland veel sterker. Hoewel ze haar inburgeringsexamen meteen heeft gehaald. We komen vaak in Marokko. Ik heb gezien dat ik daar makkelijk een bedrijfje kan opzetten. Ik ben liever een eersterangs Nederlander in Marokko, dan een tweederangs Marokkaan in Nederland. Ik heb mijn besluit genomen, ik ga terug.”

Het boek Zoeken naar een ‘zuivere islam verschijnt vandaag bij uitgeverij Bert Bakker, 384 blz., € 34,95. Meer informatie via nrcnext.nl/mijnnext.nl