‘Je moet ook af en toe buigen’

Generaal Berlijn maakte geen „stomme” fouten. Hij kon goed overweg met de media, maar ook met de politiek. Misschien wel té goed, zeggen critici bij het afscheid van de generaal.

Stel: je bent „een domme jachtvlieger” bij de Koninklijke Luchtmacht. Op een dag wordt je gevraagd voor een leidinggevende functie. Je maakt geen „al te stomme fouten”. Als je wordt gevraagd voor een volgende baan blijkt dat dat „óók wel aardig” gaat.

Zo rol je er in en word je de hoogste militair van Nederland, volgens generaal buiten dienst Dick Berlijn. De afgelopen vier jaar stond Dick Lodewijk Berlijn (Amsterdam, 1950) aan het roer van de krijgsmacht. Als commandant der strijdkrachten (CDS) gaf hij leiding aan 42.000 militairen, en leidde hij de grootste en gevaarlijkste Nederlandse missie sinds Indonesië.

Collega’s vermoedden in de jaren tachtig al dat hij het tot CDS zou schoppen, maar volgens Berlijn berustte zijn militaire carrière meer op geluk dan op wijsheid. „Je moet toevallig voor het gaatje staan”, zei Berlijn vorige week tegen deze krant.

Vandaag heeft hij, tijdens een militaire ceremonie op het Haagse Binnenhof, het commando overgedragen aan Peter van Uhm. De landmachtgeneraal zal het niet gemakkelijk krijgen om in de voetsporen van zijn voorganger te treden. Dick Berlijn is de afgelopen jaren alom geroemd: vanwege zijn tact, zijn politieke antenne en mediagenieke optreden.

„Stomme fouten” heeft Berlijn niet gemaakt: schijnbaar moeiteloos manoeuvreerde hij tussen politieke wenselijkheid en harde militaire realiteit. Zijn briefings droegen bij aan de Kamermeerderheid voor de gevaarlijke missie naar Uruzgan. Tijdens de dieptepunten van de operatie, zoals in januari, toen twee soldaten omkwamen door eigen vuur, maakte hij met zijn publieke optreden indruk.

Berlijn wist de juiste toon te treffen: ernstig, beleefd, als het moest beslist. Berlijn dacht éérst na voordat hij sprak. Hoe moet ik dat nu zeggen, was een standaardformulering van hem. Ik denk dat u gelijk heeft, was een andere.

Volgens zijn voormalige baas op Defensie, oud-minister en nu Tweede Kamerlid Henk Kamp (VVD), was Berlijn een CDS aan wie nog lang met waardering teruggedacht zal worden.” Hij was loyaal aan de politiek, meent D66-fractievoorzitter Alexander Pechtold. Veel militairen waren woedend over het ‘politieke spel’ van D66 rond de Uruzgan-missie. Berlijn had begrip voor de keuze die de partij had gemaakt.

Toen Berlijn in 2004 aantrad, was het moderniseringsproces van de krijgsmacht bijna voltooid. In Irak was de landmacht bezig het Srebrenica-complex van zich af te schudden. Minister Kamp maakte duidelijk dat het tijd was voor het echte werk: operaties ‘in de hoogste regionen van het geweldsspectrum’.

Het is de vraag of Nederland zich niet in de Uruzganmissie heeft verslikt. Door de astronomische kosten ervan kraakt de Defensieorganisatie in haar voegen. De oorspronkelijke plannen voor het onder controle brengen van de provincie met de zogeheten ‘inktvlekstrategie’ zijn inmiddels in een diepe bureaula verdwenen. De afgelopen vijftig jaar hebben Nederlandse soldaten nog nooit zo veel, en zo hard moeten vechten. In de ogen van de publieke opinie was de ‘wederopbouwmissie’ snel een ‘vechtmissie’ geworden.

Berlijn vond dit aanvankelijk „unfair”. „Ik zei nog: wij hebben dat woord ‘wederopbouwmissie’ nooit gebruikt.” Maar tijdens de politieke besluitvorming ging het woord een centrale rol spelen. En ook Berlijn had daar zijn aandeel in.

Jan Kleian, voorzitter van de militaire vakbond ACOM, vindt dat Berlijn zijn oren te veel naar de politiek heeft laten hangen. „Hij had dwars voor die uitzending naar Tsjaad moeten gaan liggen.” Door de voortdurende missies is Defensie uitgewoond, zegt Kleian. „Minister van Defensie Van Middelkoop zegt steeds dat het kán. Berlijn had hem duidelijk moeten maken dat het níet kan.”

Ook de generaal heeft kritiek op zichzelf. In 2005 werd de topstructuur van Defensie aangepast. De bevelhebbers van landmacht, luchtmacht en marine verdwenen, de CDS werd lid van een ambtelijke bestuursstaf. Topambtenaren probeerden de macht van de CDS echter in te perken. Terugkijkend vindt hij dat hij „bepaalde zaken wel wat steviger had moeten neerzetten”. Het hoofdkwartier, waarin landmacht, luchtmacht en marine écht zouden samengaan, is er nog niet gekomen.

Was de modelgeneraal te flegmatiek? Berlijn geeft zich even bedenktijd, voordat hij antwoordt: „Je moet hard zijn wanneer je hard moet zijn. Maar je moet ook af en toe kunnen buigen.”