Ieder voor zich en Sir Alan voor ons allen

Het publieke omroepbestel moet nodig worden afgeschaft. Dat vindt althans Arend Jan Boekestijn, Tweede Kamerlid voor de VVD. Hij schreef het in zijn weblog, nadat hij de uitzending van Zembla (VARA/NPS) van afgelopen zondag had gezien. Bijna had de parlementariër zelfs zijn toestel over het balkon gegooid, zo tendentieus vond hij de reportage waarin een met werving van Defensiepersoneel belaste functionaris melding maakte van een negatief Uruzgan-effect. Ook plaatsten andere Nederlandse militairen, belast met selectie, vraagtekens bij het opleiden van 16- en 17-jarigen om zo meer rekruten binnen te halen. Ik zag weinig kwaad in de toon van de verslaggeving, maar kennelijk ligt deze materie gevoelig bij rabiate voorstanders van de missie in Afghanistan en van herinvoering van de dienstplicht.

Boekestijn herhaalde zijn boude conclusie dinsdag in De wereld draait door. Presentator Matthijs van Nieuwkerk en tafelheer Bert Visscher begrepen ook niet goed hoe één uitzending zo veel toorn had kunnen wekken, maar toen ging de politicus uit een ander vaatje tappen. Het huidige omroepbestel zou in concurrentie met de commerciëlen zo slecht zijn geworden dat geen enkel onderwerp meer serieus besproken werd. En of de heren wel eens naar de BBC keken?

Ik wel, en daarom begrijp ik dit deel van het betoog maar al te goed. Ook de Britse publieke omroep maakt kijkcijfervriendelijke televisie en schuwt de popularisering allerminst. Maar de permanente vermenging van politiek en cultuur met trivialiteiten vind je er veel minder dan bij ons.

Neem nu The Apprentice, wekelijks hoogtepunt van mijn televisieweek. Het format komt uit Amerika en wordt ook bij ons nagevolgd. Een charismatische en bij het publiek bekende ondernemer (Donald Trump in de VS, Abraham Moszkowicz en binnenkort mogelijk Jan des Bouvrie in Nederland – proef de verschillen) zoekt een ‘opvolger’, althans een jonge manager met een salaris van zes cijfers. Zestien kandidaten moeten in wekelijkse afleveringen een groepsopdracht uitvoeren. Elke week wordt een van hen ontslagen in de boardroom van de baas.

De BBC- ster van The Apprentice is voor het vierde achtereenvolgende seizoen Sir Alan Sugar, oprichter van Amstrad en voormalig eigenaar van voetbalclub Tottenham Hotspur. Alleen al zijn korzelige reacties op blunders van de jongelui zijn de moeite waard.

De miljardair gedraagt zich als een marktkoopman, en dat is hij in wezen ook nog steeds. Hij stuurt de teams bij voorbeeld met een lading verse vis naar de markt van Islington. Wie aan het eind van de dag de meeste winst heeft gemaakt, wint de opdracht. Gisteren moesten de teams foto’s maken van bezoekers van een luxe winkelcentrum. Er ging veel mis met de verwerking van de orders. Dus sneert Sir Alan na afloop: „Dan zijn er hordes mensen die geld willen uitgeven en dan pakken jullie het niet!”

Zo simpel is het. Maar de goed opgeleide sales managers en marketingexperts hebben het vooral druk met elkaar een loer draaien. Hun excuses in de boardroom vormen een ander hoogtepunt. Om niet ontslagen te worden maken ze een ander teamlid zwart. Coalities smelten als sneeuw voor de zon, zodra de bijl van de guillotine dreigt te vallen en het om ieders eigen hachje gaat.

Maar als je de kandidaten vergelijkt met de deelnemers aan Nederlandse real-lifecompetities, dan zijn deze kapitalisten in de dop zoveel eleganter, welbespraakter en volwassener dat het niet alleen kan liggen aan een beter onderwijssysteem. Het verschil zit ook in de ambachtelijke makelij van het programma. Hier wordt slechts spaarzaam een reflectie op camera van een van de deelnemers ingemonteerd. De muziek is zorgvuldig gedoseerd en geen diarree van steeds dezelfde stampende themaatjes. In plaats van lacherig leedvermaak is de humor vlijmscherp en subtiel. En juist omdat iedereen zeer hard en fair beoordeeld wordt, heb je nooit het idee dat mensen in hun hemd worden gezet. Er is niets mis met dit soort televisie, zolang je het publiek maar serieus neemt.