Je kunt het boek niet zelf sluiten

Wat gebeurt er met je als je (onterecht) verdacht wordt van een zedenmisdrijf?

Strafvervolging kan leiden tot ernstige psychische klachten.

Hans fietste soms onbewust naar deze plek aan het treinspoor. Er zat voorheen een gat in het hek. „Ik dacht: verrek, dat is voor mij bedoeld!” Foto Thomas Donker
Hans fietste soms onbewust naar deze plek aan het treinspoor. Er zat voorheen een gat in het hek. „Ik dacht: verrek, dat is voor mij bedoeld!” Foto Thomas Donker Donker, Thomas

Ah, de meneer van de verwarming. Hij zal wel vroeg zijn, dacht José (54) nog, toen om half acht ’s ochtends de deurbel ging. Ze doet open. Er staan drie agenten.

„Is uw man ook thuis?”

„Hij ligt nog te slapen. Ik zal hem even roepen.”

„Dat hoeft niet, mevrouw.” Twee van de agenten lopen direct door naar boven. De derde blijft bij de deur.

Gebonk op de trap, Hans (60) wordt wakker. Tijd is er niet. Het is aankleden en meekomen. José blijft achter.

Twee jaar later. Er heeft iemand bekend. Niet Hans. Die was in augustus 2006 al vrijgesproken. Wie wél, dat hoopt het echtpaar binnenkort te zien. Dan dient de rechtszaak voor het vergrijp waarvan Hans eerder werd verdacht. Twee keer ondernam hij daarna een zelfmoordpoging. Nog eenmaal zullen Hans en José de rechtszaal in Den Bosch bezoeken. En daarna moet het boek ook echt dicht. Definitief. Vandaar dat het echtpaar niet met echte naam in de krant wil. „Waar rook is, is vuur. Dat blijft.”

Wat gebeurt er als je opeens, out of the blue, lijdend voorwerp bent in een strafproces? Je hoort het weleens: verdachten die niet op hun eigen zitting verschijnen omdat ze daar geestelijk niet toe in staat waren. Kortgeleden nog in de ‘tasjesdiefzaak’, waarin een vrouw een jongen had doodgereden die haar had beroofd. Door de strafvervolging was de vrouw dusdanig in shock geraakt dat het volgens haar advocaat Cees Korvinus onverantwoordelijk was haar op de terechtzitting te bevelen. Korvinus: „Ze was een gevaar geworden voor haar eigen verdediging.”

Een strafproces brengt spanningen met zich mee. Soms zo erg dat een verdachte in psychische nood komt. Korvinus maakt het niet vaak mee, maar het komt voor dat de advocaat om die reden iemand verwijst naar de psychiater. Korvinus: „Denk aan cliënten die nooit eerder voor de strafrechter stonden en relatief plotseling worden vervolgd. Zijn de klachten ernstiger, dan speelt vaak ook de persoonlijkheid een rol: hoe stabiel is iemand? Wat heeft iemand daarvoor al meegemaakt? Bovendien geldt: hoe ‘normaler’ de maatschappelijke positie, des te heftiger de impact.”

Noord-Brabant. Het is zaterdagmiddag. Hans, José en de hond zitten samen in de huiskamer van hun rijtjeswoning. Hans oogt joviaal, heeft een buikje, zit breeduit op de bank. José, kort haar, rode bril, strak montuur, in de stoel ernaast. Op tafel een schaal kadetjes. Ham, kaas en pekelvlees. José vertelt. „Een dag na zijn arrestatie bracht ik Hans’ pyjama naar het huis van bewaring. Toen werd gezegd waarvoor hij vastzat. Een zedenzaak. Ik zei: een zedenzaak? Ja mevrouw. Weet u wat dat betekent? Dat uw man niet met zijn vingers van kleine kinderen kan afblijven.”

Het was de zoveelste klap in het gezicht. Acht jaar eerder verkochten Hans en José de winkel om een nieuw bestaan op te bouwen. Een reeks gewelddadige overvallen was de aanleiding. Het echtpaar verhuisde. José werd hulp in de schoonmaak, Hans bracht als vrijwilliger moeilijk opvoedbare kinderen in een taxi naar school.

Tijdens zijn eerste verhoor werd Hans duidelijk dat hij werd verdacht van ontuchtige handelingen met twee van de kinderen. De moeder had aangifte gedaan nadat haar kinderen, vier en vijf jaar, Hans zouden hebben aangewezen als dader. „Of ik ooit contact had met ouders van kinderen”, werd er gevraagd. „Nooit”, zei ik automatisch. Ze lieten me mijn telefoonlijst van ouders zien, voor de ziekmelders. „Jawel hoor”, zeiden ze. Waarna ze de bandrecorder stopten en opnieuw de regels uitlegden. Je wordt gepakt op één woordje. Wist ik veel dat ‘nooit’ tijdens een verhoor ook echt nóóit betekende? Het was allemaal nieuw voor mij.”

Na de derde dag riep Hans de rechercheurs bijeen en zei: ik stop ermee, ik kan de druk niet aan. „Ik had al drie dagen niet gegeten of gedronken. En elke keer zwaaiden ze weer met nieuwe bewijzen. Ik dacht: hier is niet meer overheen te stappen. Ik word veroordeeld.” Nog dezelfde dag werd Hans op psychische gronden in de isoleercel geplaatst. Het radiootje dat zijn vrouw hem wilde brengen werd geweigerd: er zat een draad aan.

Thuis wist José de buren ervan te overtuigen dat het echtpaar midden in een relatiecrisis zat en dat Hans een tijdje weg was. Op het werk was hij ziek. Twijfel over zijn onschuld zegt José nooit te hebben gehad. „Hans had al eerder verteld over die kinderen. Over dat ze in de taxi vieze volwassenenpraatjes hadden. Hij wist van problemen in dat specifieke gezin. En had dat de moeder ook verteld. Altijd heb ik gedacht dat ze Hans beschuldigden om iemand anders buiten spel te houden.”

Na twee weken kwam Hans vrij. Hij wilde zijn verhaal graag kwijt, maar hij kon het niet vertellen: het onderwerp lag te gevoelig. Tijdens avonden met vrienden was hij neerslachtig. Soms zei hij de hele avond niets. José: „Dat kwam nog door de overvallen, zeiden we dan.” Een half jaar lang wist het echtpaar de beschuldigingen zo stil te houden.

Tot de rechtszaak. Hans: „Bij binnenkomst was al direct duidelijk: het lekt uit. Er zat een journalist in de zaal. Een stagiaire van de regionale krant. Die schreef alles op.” Niet veel later zwaaiden twee van zijn collega’s met het dagblad. Die man in dat artikel, dat moest Hans wel wezen. Ergens tussen haakjes stond de naam van de bewuste school vermeld. Hans: „Er waren er bij die na het werk opeens vlot naar huis liepen, zonder gedag te zeggen. Sommigen hebben het hun eigen vrouw niet durven vertellen.” Niet lang daarna stopte Hans met het taxiwerk. Dat was hij al eerder van plan, vanwege nieuwe rijvaardigheidseisen. „Dat scheelde: daardoor is het redelijk binnenskamers gebleven.”

Eind goed, al goed? Niet helemaal. Vrijspraak, wegens gebrek aan bewijs, had de officier van justitie nog aan het rechterlijk oordeel toegevoegd. Hans’ huilbuien bleven. Ook kreeg hij antidepressiva. Hij moest een tomtom aanschaffen, vergat soms compleet waar hij was. Zijn hobby, cd’s, raakte Hans een half jaar niet aan. „Je wilt je vrolijk voelen, maar het lukt niet.”

Twee keer moest een voorbijganger hem van het treinspoor trekken. Hans: „Ik fietste er soms onbewust naartoe. Naar een plek waar het prikkeldraad iets uit elkaar getrokken was. Ik dacht: verrek, dat is voor mij bedoeld! Er was een gevoel van onmacht. Ik wilde niet meer leven.”

Hans kreeg de diagnose posttraumatische stress-stoornis. Herkenbaar, zegt Sjef Berendsen, traumapsycholoog van het Instituut voor Psychotrauma. Een dergelijk ‘vervolgingstrauma’ behandelt hij zo’n vijf à tien keer per jaar. In veel gevallen is zijn patiënten de strafvervolging min of meer ‘overkomen’. Of is er sprake van een ongeluk: een vrachtwagenchauffeur die per ongeluk iemand doodrijdt, de verpleger die bij ontbreken van een thermostaat een patiënt in te heet badwater wast.

Kenmerk is altijd een gevoel van machteloosheid. Berendsen legt uit: „Ook de daders ervaren zo’n tragisch ongeluk meestal als traumatisch. Na een zo’n gebeurtenis is het essentieel dat het besef van controle zich weer herstelt. Je zult de ervaring telkens herbeleven, wordt schrikachtig en hyperalert. Dat hoort erbij. Bij natuurlijk herstel gaat die verwerking gedoseerd, in eigen tempo. Maar bij strafrechtelijke vervolging heb je het tempo niet meer in eigen hand: je bent gedwongen erover praten, op de deurmat ligt een brief van het OM of de media besteden aandacht aan de zaak. Dat kan het verwerkingsproces ernstig verstoren: je kunt het boek niet zelf sluiten.”

Bij de zelfmoordneigingen van Hans zullen ook de eerdere roofovervallen een rol spelen, weet Berendsen. „Na een traumatische ervaring neemt het vertrouwen in een veilige wereld sterk af. Voor Hans was de wereld door de overvallen al eens eerder onveilig gebleken. Maar nu komt die onveiligheid plotseling uit onverwachte hoek: justitie. Alsof hij van achteren in de rug wordt gestoken. Het versterkt zijn gevoel van machteloosheid: angst en boosheid komt erbij. Die boosheid richt hij tegen zichzelf: hij krijgt suïcidale neigingen.”

Sinds een ander in de zaak heeft bekend, gaat het beter met Hans. Hij draait zijn cd’s en fluit weer op straat. José: „Hans is een vrolijk mens.” Hij werkt zelfs weer als chauffeur. Maar niet met kinderen: daar loopt hij sinds de vervolging letterlijk met een grote boog omheen. Hans brengt nu overledenen naar het crematorium. Hans: „Een stuk minder risicovol.”