Gaza rijdt nu op huis-tuin-en-keukengas

In de Gazastrook rijden nauwelijks meer auto’s. Door de Israëlische blokkade zijn alle benzinepompen gesloten.

Wie wil rijden, bouwt zijn auto om voor gasgebruik.

De economie in de Gazastrook mag dan ingestort zijn, Reid Hamada hoor je niet klagen. Hamada, een veertiger met zwarte baard, verkoopt gasflessen in een zijstraatje van Gaza-Stad. Nooit een echt lucratieve handel geweest, zegt hij. Het interieur van zijn winkeltje – een paar plastic stoelen – zet zijn woorden kracht bij.

Maar de laatste weken is alles anders. „Ik heb maar veertig grote flessen, maar als ik er duizend had gehad, had ik ze ook verkocht.”

Vrijwel alle voertuigen rijden nu op het huis-tuin-en-keukengas van Reid Hamada en zijn collega’s. Door de Israëlische blokkade van de Gazastrook is er zo’n tekort aan benzine en diesel dat er voor de inwoners niets anders meer op zit dan hun auto om te bouwen en op gas te laten rijden.

Een groepje mannen staat in de rij om zijn gas te kopen. Hamada koppelt zijn voorraadflessen aan die van zijn klanten en rekent af. Een man die intussen een sigaret opsteekt, mag van Hamada weer achteraan aansluiten.

Ze zijn overal in het straatbeeld van Gaza te zien: gasflessen. Brommers hebben ze achterop gebonden, voor garages staan ze opgesteld, mannen met steeksleutels overleggen hoe de fles met de minste kans op een explosie in de kofferbak geïnstalleerd kan worden. Want alleen wie rijk is, gaat naar de garage om het voor duizend shekel (180 euro) te laten opknappen door de vakman. Een paar prutsers zijn al met hun auto de lucht ingevlogen.

Anderen laten hun auto staan: zelfs in het hart van Gaza-Stad zijn maar weinig auto’s op de weg. Alle benzinestations zijn dicht. Tot voor kort kwam er nog wat benzine binnen via de smokkeltunnels aan de zuidelijke grens met Egypte. Maar daar zijn de smokkelaars mee opgehouden, zegt Abu Salem, de ‘smokkelkoning’ van Rafah, somber. „Twee van mijn mensen zijn om het leven gekomen omdat de jerrycans opengingen. Ze zijn in de tunnel gestikt. Ik doe het niet meer, het is te gevaarlijk.”

Jammer, vindt hij. Er was goed geld mee te verdienen. Voor een liter benzine wordt op de zwarte markt zo’n dertig shekel (vijf euro) betaald.

Israël, dat de grenzen van de Gazastrook controleert, op die met Egypte na, laat alleen humanitaire goederen ongelimiteerd door. Gas valt daaronder, maar benzine niet. Na de aanslag op een Israëlisch brandstofdepot net over de grens, legde Israël vorige week alle benzine- en dieselleveranties stil.

Hamas, de moslimfundamentalistische organisatie die vorig jaar juni het concurrerende Al-Fatah uit de Gazastrook verdreef en er nu alleen regeert, waarschuwt voor een humanitaire crisis als de benzineleveranties niet snel worden hervat. Niet alleen rijden de auto’s niet meer, de directeur van de enige elektriciteitscentrale van Gaza waarschuwde gisteren dat hij de centrale over twee tot drie dagen zal moeten sluiten als er geen brandstof komt. Dat is de afgelopen maanden al een keer gebeurd.

De Islamitische Jihad, het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina en de Mujahedeen Brigade, die vorige week de aanval uitvoerden op het Israëlische brandstofdepot Nahal Oz, noemden als rechtvaardiging voor hun daad onder meer de brandstoftekorten in Gaza. Bij de aanslag werden twee Israëlische burgers gedood. Onzin, zeggen woordvoerders van de Israëlische regering. Die tekorten worden overdreven door Hamas. Wekelijks wordt er volgens Israël twee miljoen liter benzine doorgelaten.

Minister Ze’ev Boim van Volkshuisvesting noemde het gisteren „schaamteloos” van Hamas: eerst toestaan dat een brandstofopslagplaats wordt aangevallen, en tegelijkertijd klagen dat er te weinig binnenkomt.

De organisatie van de Verenigde Naties voor de hulp aan Palestijnse vluchtelingen, UNRWA, zegt echter dat de brandstoftoevoer vanuit Israël wel degelijk steeds verder wordt afgeknepen. In maart 2007 reden er nog 10.000 trucks met brandstof de grens over, in maart 2008 was dat nog maar een kwart daarvan. Boerenbedrijven en fabrieken hebben het steeds moeilijker, en voor de burgers van de Gazastrook dreigt een zoveelste humanitaire crisis.

Het is waar, zeggen de wachtende klanten voor het winkeltje van Reid Hamada, dat het beetje brandstof dat er nog is, gebruikt wordt door de autoriteiten. Hamas houdt er de ministeries en publieke diensten mee overeind.

De klanten maken er grapjes over. Mahmoud, een jonge man, legt een muntje in zijn handpalm. De vingers, zegt hij, zijn Israël, Hamas en Fatah, de partij van de Palestijnse president Mahmoud Abbas. Met drie vingers sluit hij zijn handpalm. „Zie je? Zo gaat dat hier in Gaza.”

Jamel Mazri, een gedrongen man met indrukwekkende snor, kan er niet meer om lachen. Hij is het zat, roept hij, om keer op keer vernederd te worden. „Wat maakt het mij nou uit waar die benzine precies is. Het kan Israël niets schelen hoe het ons vergaat, maar de leiders hier zijn niet veel beter. Ze vechten over onze hoofden heen. De jongens van Fatah en Hamas krijgen in ieder geval nog een inkomen, die zorgen wel voor zichzelf.”

Rustig Jamel, zeggen de andere wachtenden. Maar Jamel wordt niet rustig. Woedend is hij.

„Ik heb jarenlang in een Israëlische gevangenis gezeten, ik heb gevochten voor Fatah. Waarom? Om hier met een gasfles in de rij te mogen staan?”

Hij vult zijn fles, laadt hem in zijn Fiat. De auto rijdt, al even hard protesterend, de hoek om.