Even denken... nee... hier is nog nooit iets gebeurd

In de zomer van 1989, kort voor de val van de Muur, verscheen in NRC Handelsblad een serie artikelen over het leven in een dorp. Redacteur Peter Michielsen reisde daarvoor naar Guty, een ‘modderdorp’ aan de rand van Polen. Naar aanleiding van zijn overlijden drukken we zijn reportage, een prachtig tijdsbeeld, nog een keer af. Peter Michielsen beschouwde het als een van zijn mooiste verhalen.

Wincenty Zolotar is het zwarte schaap van het dorp, oud en boos en bitter, altijd in de contramine, en nooit te beroerd om zijn mededorpelingen aan te geven als ze illegaal hebben gevist. Hij is daarvoor ook al eens grondig in elkaar geslagen, niet door de mensen van Guty natuurlijk, daar heb je vrienden voor in Kamionki.

De oude Zolotar verdwijnt vijf of zes keer per jaar, dan heeft hij geld en drinkt hij zich laveloos. Hij vertrekt op zijn oude fiets zonder iemand iets te zeggen, zelfs zijn schoonzoon niet, die nu de boerderij runt. Een week later duwt hij zijn fiets weer de heuvel op, tikt aan zijn pet, dzien dobre, goeiedag, daar is-ie weer, terug van weggeweest, nuchter, en blut als tevoren.

Wincenty Zolotar is pas in 1958 naar Guty gekomen, dit modderdorp aan de rand van Europa, aan het verste eind van Polen, in Mazurië. Jarenlang had hij geprobeerd weg te komen uit zijn geboortedorp Zolotarje, dat in 1945 opeens tot de Sovjet-Unie was gaan behoren. Via via was hij naar Guty gekomen, een beetje hulp van de staat had hij gehad, als repatriant, maar veel was het niet. Elf hectaren, zegt Wincenty Zolotar, als zijn kleine waterige oogjes in het weerbarstige hoofd na zoveel glazen wodka hun wantrouwen zijn kwijtgeraakt. Elf hectaren had ik, genoeg voor twee mensen, als ze hard werkten en alle trucjes kenden.

Guty was toen nog een goed dorp, zegt Wincenty Zolotar, het zwarte schaap. Toen nog wel, je ging nog bij elkaar kaarten, maar nu, ik ken de regels van het spel niet eens meer.

De Bitels en ik, dat is als de zeis en de steen, De Bitels zijn nu rijk en trots, daar komt het door. Ze geven niet om anderen, alleen om zichzelf. Ze lopen met hun neus in de wind.

Zolotar is 67 en gepensioneerd. Hij krijgt 24.800 zloty per maand, 75 gulden, zijn vrouw ook. Nee, veel is het niet, maar mensen die 100.000 zloty vangen vinden het ook te weinig. Ik kan niets meer, ik heb pijn in mijn benen. Ik had nooit boer moeten worden. Ik was in Rusland meubelmaker, dat had ik moeten blijven. Ik hou nog wat bijen, en een koe. En ik soldeer, en slijp de zagen, ik slijp zagen als de beste, dat is mijn specialiteit.

Guty is een dorp van acht huizen onder de rook van Gizycko in Mazurië, het vroegere Oost-Pruisen, waar in de Middeleeuwen de Teutoonse ridders als voorlopers van het Duitse expansionisme de dienst uitmaakten en later de Pruisische hertogen en koningen en hun importadel, en nog later de heren Hindenburg en Hitler. Van Gizycko heeft de wereld voor het laatst gehoord toen het nog Lötzen heette en toen hier, vanuit de engte tussen twee meren, in september 1914, in wat later bekend is geworden als de Slag van de Mazurische Meren, de Duitse veldheren Hermann von François en August von Mackensen de twaalf ingegraven Russische divisies van generaal Rennenkampf in de pan hakten. Honderdvijfentwintigduizend man verloren de Russen, en ze zijn nooit meer gevaarlijk geworden, aan dat front in Oost-Pruisen, in de Eerste Wereldoorlog.

In de Tweede liep het anders. De Russen verloren in Lötzen nog maar vijftig man, die netjes zijn begraven op een keurig oorlogskerkhofje. Oost-Pruisen werd opgedeeld tussen Polen en de Sovjet-Unie, Lötzen werd Gizycko en Gutten Guty. Drie Duitse boeren woonden er toen in Guty, met 170 hectare grond en met hun Duitse personeel. De oude Sabina Bitel heeft ze nog gekend. Ze kwam er in 1946, dochter van keuterboer Kordowski uit Lublin, de eerste kolonisten in het nieuwe Poolse gebied. Grossbauer Wiberneit, zegt ze, hing zich op toen de Polen hem zijn land afpakten. Földmann wilde wel blijven, maar werd weggepest en stierf op weg naar Duitsland. En Kraszewski, die ging zelf. Dan was er nog Bernatzki Fritz, de visser, de enige die niet van de landbouw leefde. En een Poolse boer, die werd later door zijn vrouw doodgeslagen, maar schrijf haar naam niet op want het is nooit uitgekomen en ze leeft nog.

De nieuwe boeren van Guty, de Kordowski’s, de Stawinoga’s, de Bitels, de Borusewicz’, waren import uit het arme zuidoosten. Ze kregen tien tot twintig hectaren en gingen aan de slag, even onderbroken door de nachtmerrie van de collectivisatie. Arm, zegt Sabina Bitel, geboren Kordowska, arm waren ze allemaal. Het was langzaam beginnen. Als bruidsschat kreeg ik drie biggen en een fiets, die ik later ruilde voor een stier. Na een jaar ruilden we een varken en de stier voor een paard, we spaarden en kochten een koe, we verkochten bloemen op de markt, we aten paddestoelen, we kapten riet in de winter, voor de coöperatie van Mikolajki, we bonden de kinderen op het paard, en als Roman moe was bij het ploegen nam ik het over.

Als Wincenty Zolotar het zwarte schaap van Guty is, dan zijn de Bitels, vader Roman, en moeder Sabina, en zoon Andrzej die met zijn vrouw de boerderij heeft overgenomen, de witte schapen: zij zijn rijker, succesvoller dan de anderen. Andrzej bouwt zelfs het eerste nieuwe huis in Guty sinds het vertrek van de Duitsers, het grootste, en het mooiste huis natuurlijk. De Bitels hebben als enigen stromend water. Ze hebben de meeste hectaren land, de meeste koeien, twee tractoren. Het geheim van het succes? Hard werken en niet drinken, zegt Sabina Bitel. De anderen drinken. De anderen namen knechten voor het werk, wij deden alles zelf. We namen de wieg mee het veld op. Kijk naar Zolotar, een grotere luilak bestaat er niet.

Andrzej Bitel, haar zoon, oogt niet als een boer, Hij heeft wel dat vierkante, dat potige, maar hij praat anders, een frêle, vriendelijk gezicht, hij is wat verlegen als hij praat. Ja, er is veel jaloezie. Ze zeggen het je nooit in je gezicht dat ze je benijden. Maar vier weken geleden is mijn hond doodgestoken, door Jozwa Pietron, met een hooivork, toen hij vocht met zijn hond. Dat was niet nodig, hier in het dorp vechten de honden immers altijd met elkaar. Het was jaloezie. En we kunnen niets beginnen, tegen Jozwa, hij is import, maar familie; hij is met mijn nicht getrouwd.

Hij redt zich goed, Andrzej Bitel, met zijn acht koeien, zes schapen, twintig varkens en biggen, hij heeft twintig hectaren land, van slechte kwaliteit, dat wel, maar goed genoeg. De melk levert 200.000 zloty per maand op. Het huis bouw ik zelf, met een krediet. Ik heb geluk gehad, ik betaal maar drie procent rente, nu zou dat twaalf procent zijn.

De afgunst van de anderen bederft de sfeer in het dorp, zegt Andrzej. Hij is groot geworden met de Kordowski’s, de Borusewicz’ en de Stawinoga’s. Toen iedereen arm was ging het nog. Maar met elke generatie is de sfeer verslechterd. Ze praten met me, op het oog zijn ze zelfs vriendelijk. Maar ze dragen me in hun achterste. Ze lopen liever twintig kilometer om dan iets van me te lenen. Als ik naar Borusewicz ga krijg ik een stoel, maar als ik ze de volgende dag in Gizycko tegenkom krijg ik alleen hun rug te zien. Wij werken, zij werken niet. We hebben nooit vrije tijd, zij hebben alleen maar vrije tijd. Kijk naar de kinderen van Stawinoga, kijk hoe verwaarloosd ze zijn, ze hebben op hun vijfde jaar al geen tanden meer.

Jan Stawinoga is de soltys van Guty, een soort burgemeester, dorpshoofd. Hij wordt door de anderen veracht als een barbaar. Als hij zijn hoed op heeft oogt hij als een 65-jarige. Zonder hoed lijkt hij 55. In werkelijkheid is Jan Stawinoga net veertig. De stoppels staan grijs en rechtop in het gezicht. Hij lacht tandeloos, de burgemeester, en je ziet niet of dat lachje vals is of verlegen.

Jan Stawinoga is in Guty geboren, maar boert er pas sinds veertien jaar. Zijn broer Czeslaw heeft de ouderlijke boerderij geërfd, Jan werkte als arbeider in Gizycko. Toen er een andere boerderij vacant raakte keerde hij terug, met zijn Renata. Haar reputatie in Guty is nog slechter dan die van Jan. Ze was vroeger hoer, in Gizycko, en alcoholiste was ze ook, en gek is ze nog altijd. Ze geeft haar kinderen soms weken lang alleen aardappelen te eten, als ze geen zin heeft iets anders klaar te maken. Soms slaat ze weer hevig aan het drinken.

Vorig jaar heeft ze haar antieke meubilair opgestookt, al die krullen en dat houtsnijwerk, ze had er genoeg van. Renata is in de negende maand zwanger. Als het een meisje wordt maakt ze het dood, heeft ze gezegd. Ze heeft zich vorig jaar zelf geaborteerd, ze was bijna doodgebloed als haar Janek haar niet net op tijd had gevonden.

Het burgemeesterschap, zegt Stawinoga, is een sinecure. Ik ben de verbindingsman met de overheid in Gizycko, want Guty heeft geen overheid, alleen maar acht boeren. Ik moet voor de vleesbonnen zorgen, en ik vraag de gemeente om hulp als we die in de oogsttijd nodig hebben. Nee, veel werk is dat niet.

Het boeren is geen sinecure. Hij kocht de boerderij met een krediet dat hem dankzij de inflatie jaarlijks maar 5200 zloty kost, de tegenwaarde van een paar kilo appelen. Maar de veertien hectaren grond is heel slecht, vijfde en zesde klas, bijna zand, en hij komt hooguit op een maandinkomen van 50.000 zloty. Zijn liefste wens, zegt Jan Stawinoga, terwijl zijn zoontje, dat met het waterhoofd, de dode vliegen uit de vensterbank eet, zijn liefste wens is een oogstmachine. Die kost anderhalf miljoen en zal dus wel een mooie droom blijven. Net als zijn andere geheime wens: lid te worden van de jagersvereniging van Gizycko. Hij zou graag jagen, maar je komt er niet in, een gesloten club, en ze willen geen boeren.

Het leven in Guty is eenvoudig: het richt zich naar de seizoenen. In Kamionki, twee kilometer verderop, staan een lagere school en een kerk en een dorpswinkeltje waar je potten en emmers kunt kopen, olie, azijn, zeep en lepels, alles wat men hier industriële producten noemt, en snoep, en zelfs nog zilveren ballen voor de kerstboom, voor 858 zloty per stuk. De stad, Gizycko, elf kilometer van Guty, is voor de meesten al heel ver weg. En Warschau, Warschau is een andere wereld, naar Warschau gaan we niet, want we reizen niet, alleen Andrzej Bitel, die reist. De regels zijn simpel: je werkt tot je doodgaat, want de ijzeren wet van het Poolse platteland wil dat je moet werken zolang je je kunt bewegen. Je wroet wat in de aarde, je haalt water uit de put, je vangt af en toe stiekem een van die reusachtige palingen van een arm dik, die je, opgehangen aan de kop, rookt in de betonnen koker met de onderaardse gang voor het vuurtje van het hout van de dode pruimeboom achter het huis. Nee, kranten lezen we niet, alleen de tv-gids, want Polen, ach Polen gaat ons niet aan. Ons gaat de gezondheid van de beesten aan, en de staat van het huis, en de oogst. Elk dorp heeft zijn ooievaars, Guty ook, en ik heb er ook wel eens over gedacht om een plat op mijn dak te bouwen, want het zijn mooie vogels, maar ik heb er toch maar van afgezien, want als ze schijten is het meteen een emmer vol.

Heel makkelijk is het niet, het leven in Guty. Veterinaire hulp krijg je maar moeilijk, en wat er dan langskomt is soms als de grond: vijfde of zesde klas. Zoals die jonge veearts die laatst in Kamionki bij een koe werd geroepen die na het eten van nat gras last had van gas, en die er voor de grap een lucifer bij hield, waardoor niet alleen de koe ontplofte maar ook de schuur afbrandde. Met medische hulp gaat het al niet anders. Je moet ervoor naar de stad, en dus gebruiken de boeren de medicamenten voor hun dieren ook voor zichzelf, en hun kinderen. In elk gezin is wel eens een kind gestorven. Daar wordt nooit over gepraat, ze komen niet voor in de familiegeschiedenissen. De dood is hier anders dan in de stad, men is er meer aan gewend, en de kinderen zijn snel vergeten.

Er gebeurt ook nooit wat in Guty, zeggen de ouden, zeggen Roman en Sabina Bitel. Guty is een dorp waar de honden met hun gat blaffen, er is niets meer gebeurd sinds dat ongeluk van lang geleden, toen een van de inwoners vijfhonderd kilo dynamiet, in de bossen gevonden oorlogsmunitie, in zijn kelder opsloeg bij de levensmiddelen. Tot zijn vrouw met een kaars in de hand eten ging halen en het hele huis de lucht in vloog, drie doden. Sabina weet de datum nog, 7 december 1947, want het was haar broer die omkwam, met zijn vrouw en hun kind. Maar verder is er nooit iets gebeurd, in Guty, ook al denken ze nog zo hard na.

Polen gaat hun niet aan. De kerk ja, die wel, De kerk neemt de eerste plaats in, zegt Renata Stawinoga, in haar vochtige huiskamer onder de plaatjes met smachtende Christussen aan de muur, en ze denkt er even niet aan dat ze straks misschien een meisje krijgt. De kerk is heel belangrijk voor ons.

De kerk, dat is pastoor Stanislaw Baranowski, een grote ronde man met dikke lippen, in een tot op de draad versleten soutane die een beetje stinkt, en een oude groene jas waarvan alleen de bovenste en de onderste knoop nog dichtgaan over zijn buik. Hij zetelt in Kamionki, in de kerk naast de dorpswinkel, de kerk van vier dorpen, een simpele kerk met veertien houten banken en ramen van gekleurd glas en met ruwgesneden heiligenbeelden aan de muren, waar het in dit jaargetijde altijd ruikt naar natte kleren. Hij is trots op de kerk, kijk hier, die banken heeft mijn vader nog gemaakt, en de betegeling rond het altaar, en de ramen, en het tabernakel hebben we samen in de muur gemetseld, zegt Stanislaw Baranowski, en hij sluit zijn ogen als hij praat.

Baranowski is een geliefde priester, zegt Karel Bitel, de tweede zoon van Roman, die als taxichauffeur in Ryn werkt, hij rijdt wel eens met me mee, hij wil dan altijd betalen maar dat hoeft niet want ook een taxichauffeur wil graag naar de hemel. Hij is beter dan de pastoor van Ryn, die rent zijn parochianen na om geld, die is zo koud als de borst van een heks. Of die van Gizycko, die hij eens met een hoer in de auto heeft zien zitten maar die niettemin hem, Karel Bitel, toen hij naar de kerk kwam voor de eerste heilige communie van zijn eerstgeboren zoon, ten overstaan van alle gelovigen heeft verweten zich al drie jaar lang niet in Gods huis te hebben vertoond.

Zeshonderd parochianen heeft pastoor Baranowski, in zijn vier dorpen. Het laat hem genoeg tijd om voor zichzelf te zorgen. Bij mij komt niemand in huis, ik ben mijn eigen kapelaan en mijn eigen dienstmeid. Ik ben eenzaam als één vinger, zegt hij, en hij steekt die vinger op. Ik heb dat ook liever zo, ik heb tijd voor mijn hobby, Latijn. Ik denk niet in het Pools, ik denk in het Latijn. Geld? Er is geen geld. Ik krijg wat van de bisschop, heel weinig, zoveel als een kat kan huilen en dat is niet veel. Maar ik heb niet veel nodig, ik hoef nergens heen. Hij lacht, hij schreeuwt een beetje als hij vrolijk is, pastoor Baranowski, maar hij schreeuwt niet als hij de thee zegent, dat doet hij zachtjes: Heer, zegen deze thee die we dankzij uw goedheid drinken.

Zijn relaties met de autoriteiten zijn niet goed, maar ook niet slecht, zegt de pastoor. Ik doe niets om ze ter wille te zijn maar ik geloof dat ze me wel aardig vinden. Er zijn geen problemen. Natuurlijk, het zou prettiger zijn godsdienstles op school te geven, maar in de kerk lukt dat ook. Nee, er is hier geen kruisbeeldenoorlog geweest, waarom zouden we ergens oorlog om voeren? De partij? Er is geen partij. Ik weet niet eens of er in Kamionki een partijafdeling is. Dat laat de mensen koud, zegt Stanislaw Baranowski, de leef-en-laat-leven-pastoor van Kamionki en Guty. Ik interesseer me niet voor politiek. Zoals we hier zeggen: je kunt de zon niet met een spade te lijf.

De parochianen vallen hem ook niet lastig. Zelfs al ze met andere dan godsdienstproblemen bij hem zouden komen, zou hij weigeren daarover te praten, daar zijn andere mensen voor. Hier geen priester als een soort alternatieve autoriteit, hier niet, ik heb daar geen zin in. Het stoort hem ook niet dat maar weinigen naar de kerk gaan, alleen maar brede oude boerenvrouwen in vale jassen, met hoofddoeken, en een paar jongere vrouwen met hoedjes uit het jaar nul, en wat bejaarde mannen in sjofele ruwwollen pakken die ze al duizend en meer zondagen hebben aangetrokken. Het stoort hem niet, want ik wil niemand dwingen, of ze naar de kerk gaan moeten de mensen zelf we ten, iedereen weet waar de kerk is.

Uit Guty gaan er niet veel naar de kerk. Het is te ver. Er is geen tijd, een boer heeft nooit tijd. Maar, zegt Jan Stawinoga, dat zegt niets over onze mening over de pastoor, een pastoor met een missie, niet zo een als in de stad die je met een stropdas om in het restaurant ziet zitten.

De stad. Gizycko, dertigduizend inwoners, huizen in Duitse stijl, een hotel met Duitsers op zoek naar hun wortels. Het restaurant wordt er elk jaar mooier en het menu elk jaar armzaliger. In Gizycko vieren ze de heilige nationale feestdagen niet meer met een plechtige parade en mooie redevoeringen van de dragers van de macht, maar met een markt waar het volk de schaarse spulletjes kan kopen die de gemeentelijke autoriteiten voor deze speciale gelegenheid achter hebben gehouden, kinderschoenen en speelgoed en sportartikelen, en met een feestconcert van een meisjeskoor dat wanhopig opbokst tegen een geluidsinstallatie met marsmuziek en kinderen met klapperpistolen. En laten we vooral niet vergeten kameraden, roept een juffrouw met veel te veel rouge in haar microfoon als het meisjeskoor is uitgestreden, laten we vooral niet vergeten dat de arbeiders en intellectuelen die honderd jaar geleden de moed opbrachten om op deze dag de straat op te gaan in onze Poolse steden, meedogenloos in elkaar werden geslagen.

De boeren van Guty hebben in dit Gizycko weinig te zoeken. Zij ploeteren elf kilometer en duizend mijl verderop op hun vijfde en zesde klas grond, ze kappen riet in de winter, ze weten niets van Warschau, en van de staat weten ze alleen dat die hen beduvelt met te lage melk- en te hoge kunstmestprijzen. Ik verdien beter dan de anderen, zegt Andrzej Bitel, maar mijn broer verdient met zijn taxi in twee dagen wat ik in een maand krijg, als hij Duitsers rondrijdt, voor tien mark per uur. Wensen? Ik zou willen dat ze de huizen wat zouden opknappen. Ik zou telefoon willen hebben. En een kruidenier in de buurt.

Guty, dorp dat geen gemeenschap is, in het zompige en winderige maar wonderlijk mooie Mazurië: een onverharde straat, zeven huizen zonder, een met stromend water, zeven huizen zonder, een met telefoon. Ze stoken op hout, in kamerhoge tegelkachels, en ze koken hun eten elke dag urenlang, en nooit gaan de ramen open. Een priester die met rust wil worden gelaten. Een zwart en een wit schaap. Sabina Bitel, die rotsvast gelooft in geesten en geheime tekens: ,,Dat paard, het keek zo raar, wat zou dat kunnen betekenen?” De hoogzwangere Renata. Acht vochtige, vochtige huizen, Als ’s avonds het licht uitvalt, in Guty, dan klimt de burgemeester zelf, gadegeslagen door alle mannen van het dorp, in de betreffende paal, verbreekt het heilige zegel en repareert de schade. Fantastische eters, die zonder met de ogen te knipperen een omelet van twintig eieren en een halve gans verorberen. Ik ben eenzaam als één vinger. De partij? Er is geen partij, ook niet in Kamionki, er is nog nooit iemand lid geweest van de partij. Ik heb gouden handen, ik heb geen wind in mijn zakken. De velden met koolzaad. Hier gebeurt niets, hier is nog nooit iets gebeurd, hoe lang we ook nadenken. De weg naar de stad ziet geel van de lindebloesem. Op het gladde water van het meer vechten twee futen en de ooievaar scheert laag over het land.