Hotel

Schiermonnikoog is een eiland dat ik in dit jaargetijde altijd met enige spijt verlaat. Je mag er dan een paar mooie dagen hebben beleefd, er zullen nog veel mooiere dagen aanbreken waar je niet bij bent.

Het afgelopen weekeinde was het er nog ‘aarzelweer’, mijn benaming voor het type weer dat op elk moment kan omslaan. Op de fiets kon je in de ijzige wind een muts nog goed hebben, zonder je al te belachelijk te voelen, maar als de zon op dat megalomaan brede strand even doorbrak, leek het alsof de zomer al was begonnen.

Wat er ook gebeurt, het wordt weer zomer, en zeker op Schiermonnikoog – dat kan ik iedereen verzekeren. Dat wil niet zeggen dat daar deze zomer alles bij het oude blijft. Ook daarom nam ik met enige weemoed afscheid. Zo staat onomstotelijk vast dat ik het vermaarde, uit 1726 stammende familiehotel Van der Werff nooit meer zal terugvinden zoals ik het heb achtergelaten.

Na 1 juli zal ook in de openbare ruimten van dit hotel niet meer gerookt mogen worden. Zelfs voor de niet-rokers zal dit wennen zijn.

Wie Van der Werff betreedt, ontmoet tabak. Een zware, eeuwenoude geur slaat je in het gezicht, en er is geen ontkomen aan, want de hotelgast moet dwars door de bruinste gelagkamer van Nederland om zich aan te melden. Daar staat de tapkast die als receptiebalie – pervers woord in deze omgeving – fungeert.

Daarnaast ligt de lounge, een ruimte met identieke rood-pluchen stoeltjes, waarin de tijd ook al is opgeheven en het genoeglijke paffen kan worden voortgezet. Halverwege de middag vermengen de tabaksgeuren zich met de eerste kookluchtjes uit de keuken en er ontstaat een unieke aromatische combinatie, die geleidelijk als een onzichtbare mist het hele hotel vult.

Iedereen weet: dit hoort bij Van der Werff. Als het je niet zint, blijf je weg. Stiekem zullen niet-rokers als ik het een voordeel vinden dat ook Van der Werff moet bukken voor het rookverbod, maar in hun hart vrezen ze onvoorziene gevolgen.

Het hotel zal toch niet aan sfeer inboeten? De charme van Van der Werff is juist die laconieke sfeer die elke gast doet beseffen dat je, evenals het hotel, stokoud kunt worden als je je maar niet te veel opwindt. Alles komt goed, en als het niet goed komt is het ook goed.

Ik heb er nooit ruzies tussen gasten en bedienend personeel meegemaakt. Kinderen en honden worden er met open armen verwelkomd. Ik was er nu voor het eerst met mijn twee kleinzoons. De jongste spoog in de lounge zijn maagje leeg alsof hij zich een onderdeel van de Trevifontein waande, de ander viel zich een bloedbuil aan de rand van de biljarttafel. Hun jarige grootmoeder raakte een van haar cadeaus kwijt, en een ober was bereid tot zijn oksels in een vuilnisvat te duiken om het te zoeken. Op de valreep spatte nog een limonadeflesje op de vloer uiteen.

Het mocht allemaal. De eigenaar, een melancholiek ogende man, doet alsof hij niets merkt, hoewel hij vermoedelijk juist álles ziet. Hij reed zijn gasten op deze zondag zelf met zijn voorwereldlijke autobusje naar de vertreksteiger. Mijn dochter wilde rechtop staan om zo dicht mogelijk bij haar kind te blijven.

„Mevrouw, u moet echt gaan zitten”, zei de eigenaar gelaten, „de politie wil dit niet.”

Nooit heb ik een hoteleigenaar met zoveel weerzin iets horen verbieden.