Urennorm of lesboek, Dijsselbloem is overal

In twee maanden tijd is ‘Dijsselbloem’ een begrip geworden in de Tweede Kamer. Maar het gedeelde enthousiasme uit het begin heeft plaats gemaakt voor verdeeldheid.

Pluk dit Dijsselbloempje!

Tweede Kamerlid Martin Bosma (PVV) maakte deze woordspeling in een debat over de urennorm in het voortgezet onderwijs. Dat was op 14 februari van dit jaar, één dag nadat Jeroen Dijsselbloem (PvdA) zijn rapport over onderwijsvernieuwingen had gepresenteerd. ‘Dijsselbloem’ werd nóg 32 keer genoemd in het debat, tot ongenoegen van Kamervoorzitter Gerdi Verbeet. Ze verbood verdere verwijzingen naar het rapport.

Volgende week mag het weer. Dan debatteert de Tweede Kamer over het rapport van de Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen. Bij publicatie werd het onderzoek van alle kanten enthousiast onthaald. Dit rapport, vond ook de Tweede Kamer, zou weleens een breuk kunnen betekenen in het onderwijsbeleid.

Nu, twee maanden later, gaat de Kamer moeilijk doen.

Dijsselbloems analyse van de vernieuwingen wordt nog gedeeld. „Keurig”, zegt Jan Jacob van Dijk (CDA). „Prettig dat hij de grote lijnen schetst”, vindt Alexander Pechtold (D66). „Hij heeft een aantal dingen goed blootgelegd”, aldus Jasper van Dijk (SP).

Maar dan een van de belangrijkste aanbevelingen. Voortaan moet de overheid zich beperken tot het ‘wat’ – wat moeten leerlingen weten? Dijsselbloem adviseert de overheid verder om de lesstof preciezer voor te schrijven dan nu. Scholen gaan vervolgens over het ‘hoe’ – de manier waarop ze kinderen kennis bijbrengen.

Jeroen Dijsselbloem verwachtte zelf al veel weerstand. Een te strikte scheiding zou ingrijpen in de vrijheid van onderwijs.

Dat blijkt. Een substantieel deel van de Kamer – in elk geval CDA, SP en ChristenUnie – heeft er problemen mee. Jan Jacob van Dijk (CDA): „Het dichtspijkeren van de lesstof ondermijnt de leraren. Die zijn dan niet meer vrij om hun onderwijs in te richten.” SP’er Jasper van Dijk maakt zich vooral zorgen over de grote autonomie van scholen, die „de macht krijgen om zelfstandig verder te vernieuwen”.

Andere partijen vinden de aanbeveling juist goed. Staf Depla (PvdA) zegt dat er „natuurlijk” grensvlakken zijn tussen het wat en het hoe. „Maar willen we dan niet meer dat de overheid scholen kan aanspreken op kwaliteit?” PVV’er Bosma vindt dat de overheid moet vastleggen dat kinderen leren staartdelen, en „welke hoofdsteden ze uit hun hoofd moeten leren”.

Dit parlementaire meningsverschil neemt niet weg dat de Kamerleden een grote toekomst zien weggelegd voor het rapport. Het zal een trendbreuk inluiden, denken de politici. Zo hoopt PvdA’er Depla dat ‘Dijsselbloem’ „het wantrouwen tussen leraren en schoolleiders” kan wegnemen. „En we willen nog steeds mensen verheffen. Maar dat moet veel zorgvuldiger. We moeten het verschil tussen leerlingen benadrukken.”

In de afgelopen twee maanden is Dijsselbloem voor heel andere doeleinden ingezet. In elk onderwijsdebat speelde de naam van de PvdA’er een rol. Parlementariërs gebruikten ‘Dijsselbloem’ bijvoorbeeld om hun argumenten tegen de gratis schoolboeken kracht bij te zetten. Of om de 1.040-urennorm te bekritiseren.

Bosma erkent dat Dijsselbloem „tot het irritatieniveau aan toe” werd genoemd. De term is aan inflatie onderhevig, vindt de PVV’er. „De gratis schoolboeken zijn geen onderwijsvernieuwing, dan moet je Dijsselbloem er niet bij halen.”

Daar is Tofik Dibi (GroenLinks), net als Bosma lid van de commissie-Dijsselbloem, het niet mee eens. Hij noemde het rapport juist wel voortdurend in het debat over de gratis schoolboeken, omdat de maatregel in zijn ogen „niet Dijsselbloem-proof” is. Dibi heeft „een heel slecht gevoel” overgehouden aan de manier waarop de afgelopen twee maanden is omgesprongen met ‘Dijsselbloem’. „Er zijn nog steeds machtspartijen die hun zin doordrukken”, zegt hij.

Fractievoorzitter Arie Slob van de ChristenUnie, een van de machtspartijen waar Dibi op doelt, vindt het „heel slecht” dat Dijsselbloem al in het debat is betrokken voordat het rapport is besproken. „Wat ik heel erg riskant vind, is dat Dibi zijn afkeer heeft uitgesproken van de stem van Jeroen Dijsselbloem vóór de gratis schoolboeken. Daarmee speel je de hele parlementaire commissie uit elkaar.”

Ineke Dezentjé Hamming (VVD) vindt dat drie partijen zich al hebben „gediskwalificeerd”: coalitiepartijen CDA, PvdA en ChristenUnie. Zij hebben de gratis schoolboeken en de maatschappelijke stage erdoor gedrukt, vindt ze, terwijl „iedereen tegen” was.

Dit dispuut is precies waar Pechtold (D66) al bang voor was. „De coalitie en de oppositie moeten durven samenwerken. Niet om cynisch over te doen, maar ik ben daar niet gerust op.”

Nadat de Kamer onderling heeft gesproken over ‘Dijsselbloem’, volgt in juni het gesprek tussen Kamer en kabinet. De politici zijn er voorlopig nog niet klaar mee.

Studiehuis: pagina’s 14 t/m 17 van de bijlage Zaterdag &cetera

Dit is deel 5 (slot) van een serie over de gevolgen van ‘Dijsselbloem’. Eerdere delen op nrc.nl/onderwijs