‘Over tien jaar doen ze het allemaal’

„Het zijn altijd leraren die iets te klagen hebben die naar de krant lopen.” Oud-topambtenaar Clan Visser ’t Hooft reageert voor het eerst op de studie die haar aanwijst als schuldige voor de crisis in het onderwijs.

„Wat opbrak, was dat het allemaal veel te snel moest.” Foto Leo van Velzen „Iedereen wilde het. Het was in the air.” Foto Leo van Velzen Tienhoven, 07-04-08. Clan Visser 't Hooft. Foto Leo van Velzen NrcHb
„Wat opbrak, was dat het allemaal veel te snel moest.” Foto Leo van Velzen „Iedereen wilde het. Het was in the air.” Foto Leo van Velzen Tienhoven, 07-04-08. Clan Visser 't Hooft. Foto Leo van Velzen NrcHb Velzen, Leo van

Clan Visser ’t Hooft (1935), bekend als de moeder van het studiehuis, woont aan de rand van het veenmoeras bij het dorpje Tienhoven, in de provincie Utrecht. Twee ooievaars lopen er op hoge rode poten naar visjes te zoeken, het speenkruid bloeit – het is bijna voorjaar. „’s Winters voer ik ze”, zegt ze. „Hun jongen vliegen in het najaar naar het zuiden. Maar zij gaan niet meer weg.”

Dode kuikens, een kilo per dag.

Ze zit bij het raam in de keuken, vriendelijk, maar op haar hoede. Ze wil dit gesprek niet, ze heeft zich laten overhalen. Ze is de vrouw die in februari door de commissie Dijsselbloem als een van de hoofdschuldigen is aangewezen in wat wel de tragedie van de mislukte onderwijsvernieuwingen wordt genoemd. Maar ze heeft geen zin om zich te verdedigen. Alsof ze iets verkeerds zou hebben gedaan.

Voor de commissie Dijsselbloem is Clan Visser ’t Hooft de vleugelslag van de vlinder die de orkaan veroorzaakte. Zij bedacht eind jaren tachtig voor haar school in Hilversum, het Roland Holst College, een vorm van didactiek waar staatssecretaris Jacques Wallage (PvdA) zo enthousiast over was dat hij haar tot zijn adviseur benoemde. Leerlingen leerden bij haar om zo zelfstandig mogelijk te werken. En leraren werden procesbegeleiders.

Dijsselbloem in zijn rapport: „Positieve ervaringen in enkele geïsoleerde situaties, zoals op het Roland Holst College van rector Visser ’t Hooft (...) waren aanleiding vergelijkbare vernieuwingen in het hele land uit te rollen.” En die vernieuwingen hebben volgens Dijsselbloem niet tot verbetering van het onderwijs geleid.

Clan Visser ’t Hooft, vijftien jaar geleden zo populair, is voor mensen als Jan Blokker jr. (schrijver en oud-schoolleider), Ad Verbrugge (filosoof en oprichter van Beter Onderwijs Nederland), Leo Prick (onderwijskundige en NRC-columnist) en Hans Wansink (commentator van de Volkskrant) een symbool voor wat zij zien als de afbraak van het Nederlandse onderwijs.

Jan Blokker jr. op 14 februari in NRC Handelsblad: „Het onderwijs (op het Roland Holst College) hadden ze er vrijwel geheel afgeschaft. Althans, de inbreng van de docent was teruggebracht tot een maximum van 5 minuten instructie. (...) Als er niemand geholpen wilde worden, dan zat hij of zij achter z’n bureautje en hield de administratie bij van het onderwijsproces.”

Wie zij is en waar haar ideeën over onderwijs vandaan komen, daar gaat dit gesprek over.

Het begint in haar kinderjaren, in het dorp Velp bij Arnhem, waar ze geboren werd als oudste dochter in een doktersgezin met uiteindelijk zes kinderen. Haar moeder, altijd druk, werd na de geboorte van het laatste kind in 1948 nooit meer de oude.

Clan Visser ’t Hooft was vijf toen de oorlog uitbrak en acht toen ze niet meer naar school kon, van 1943 tot 1945. De Duitsers hadden alle schoolgebouwen gevorderd. Vanaf september 1944 lag Arnhem in de vuurlinie.

Ze vertelt: „Naast ons huis was een koetshuis en daar hield ik schooltje voor de kinderen uit de buurt. Mijn moeder kon prachtig voorlezen. In de kelder, waar we tijdens de slag om Arnhem vaak schuilden, las ze ons de hele Nils Holgersson voor. Ik las ook voor. En dan vond ik dat alle kinderen stil moesten zijn. We schreven verhaaltjes, we deden spelletjes. Dan was jij die en ik die en dan gingen we... Het was heel leuk. We leerden omdat we wilden leren.”

Het klinkt als een meisjesboek.

„We hadden aan het begin van de oorlog een heel lieve kinderjuffrouw, die later kleuterjuf werd. Ik mocht haar helpen.”

Romantiseert u het niet een beetje?

„Het zou me niet verbazen. De oorlog was heel heftig. We zagen dode mensen, het huis naast ons brandde af, en dan die verschrikkelijke angst voor de V2’s, voor die brandende bommen. Na de bevrijding moest ik als jongste tussen honderd andere ondervoede kinderen in veewagens op transport naar Denemarken, om aan te sterken. Dus alles wat fijn was, ja, dat zal ik wel hebben opgeblazen. Dat zal best. ”

Leren was een luxe.

„En dat bleef het. Na de oorlog zou ik naar de mulo gaan, omdat ik zo veel jaren gemist had. Maar ik wilde naar het gymnasium. Ik las graag, vooral mythen en legenden. Ik dacht: dat doe je op het gymnasium. Ik mocht naar de proefklas, in 1947, en daarna haalde ik het toelatingsexamen met de hakken over de sloot. Het was een heerlijke tijd. We hadden les van Van der Heijde, van de Latijnse en Griekse grammatica. Een bullebak, maar een fantastische leraar. Peter van Straaten (de tekenaar – red.) zat bij mij in de klas en als de Baas – zo noemden we Van der Heijde – in een goed humeur was, mocht die de helden uit de verhalen die we lazen op het bord tekenen. Dat werden dan natuurlijk de koppen van de leraren.”

Daarna wilde u lerares worden?

„Ik vroeg een Fulbrightbeurs aan om een jaar naar het New York State Teachers College te gaan. Ik wilde uitvinden of het echt wat voor mij was. Dat was in 1954.”

Avontuurlijk.

„Achteraf wel. Ik heb die beurs aangevraagd zonder toestemming van mijn ouders. Maar ze weerhielden me niet. Nadat mijn moeder ziek was geworden, had ik een deel van haar taken overgenomen. Ik dacht: nu wil ik mijn eigen leven gaan leiden.”

Hoe groot was de cultuurschok?

„Enorm. Ik herinner me dat ik voor sociologie met blozende oren het McKinsey-rapport over het seksleven van pubers in Amerika heb zitten lezen. Er werd daar al heel jong heel stevig gevreeën en wij zoenden in die tijd nog niet eens. Ja, op het eindexamenfeest, een beetje. Ik dacht: waar ben ik nou in beland? De Amerikaanse meiden in het huis waar ik woonde, vonden het normaal om met een jongen naar bed te gaan als ze voor de tweede keer met hem uit waren geweest. Nou, ik deed daar niet aan mee.”

En verder?

„Ik werd geacht om in ruil voor de studiebeurs lezingen te geven bij allerlei clubs over mijn oorlogservaringen. Dan vertelde ik wat ik had meegemaakt en dat er op het laatst geen benzine meer was geweest en geen eten en geen schoenen. Maar ze geloofden me niet. Ze konden het zich gewoon niet voorstellen.”

Wat hield u over van dat jaar?

„Let each become all he is capable of being. Dat was het motto van het Teachers College en het is de leidraad voor mijn leven geworden. Laat bij iedereen er uit komen wat er in zit. Heel erg mooi. Verder heb ik in dat jaar ervaren hoe ongelooflijk goed Nederlandse middelbare scholen zijn – nog steeds. Ik volgde colleges Homerus en de Bijbel bij professor Baker en op een dag kwam ik erachter dat hij de teksten nog nooit in de oorspronkelijke taal had gelezen. In Amerika worden alleen vertalingen gebruikt.”

U kwam terug in een sober en braaf Nederland.

„Ja. En toen ben ik Nederlandse taal- en letterkunde gaan studeren in Leiden, na een paar jaar als werkstudent. Ik had een vriend in die tijd, tot mijn vader hem achter mijn rug om verbood om met mij om te gaan. Daar ben ik pas veel later achtergekomen.”

U bent nooit getrouwd geweest?

„Jawel, van 1965 tot 1968. Het was voor ons beiden een grote vergissing.”

U gaf al les in die tijd?

„Niet toen ik getrouwd was, want mijn man wilde dat ik ermee ophield.”

Hoe beviel het?

Ze lacht. „In Den Haag viel ik in voor het hartelapje van de school, een zeer geliefde docent. In de eerste les zei ik tegen de leerlingen dat ze hun boeken moesten pakken, en toen zeiden ze: hebben we niet. Ik deed een keer de deur van het lokaal open – allemaal confetti over me heen. Ik dacht: is dit wat ik altijd gewild heb? Uiteindelijk ben ik de Esmoreit (Middeleeuws toneelstuk – red.) met ze gaan bewerken en instuderen. En toen ging het goed.”

Toen wist u hoe het moest?

„Ik heb nog veel moeten leren. Toen ik in Leiden werkte, kwam ik op een dag uit school en daar stond Claartje Witkam voor mijn deur. Ze kwam me namens de klas vragen of ik wat strenger wilde worden, want nu konden ze keet trappen.”

Wat voor leerlingen waren dat?

„Volbloed gymnasiasten. De mensen die daar lesgaven waren ook lector aan de universiteit, of ze werden hoogleraar. De gesprekken in de leraarskamer waren altijd van een zeer hoog niveau.”

Was u trots op die status?

„Daar ben ik me nooit zo bewust van geweest. Zelf moest ik toen nog afstuderen. Daarna heb ik gesolliciteerd bij de Werkplaats van Kees Boeke, in Bilthoven. Het adagium van Kees Boeke was: leren met hoofd, hart en handen. En gelijkwaardigheid, tussen leerlingen onderling, en tussen leraren en leerlingen. Of medewerkers en werkers, zoals ze daar genoemd werden.”

Was het de school waar koningin Beatrix op gezeten heeft?

„Ja. Ze heeft er later onaardige dingen over gezegd. Ik begrijp niet waarom. De sfeer was er uniek. Nooit: ik weet het en jij weet het niet. Maar: hoe kan ik je helpen? Ik heb er zestien jaar gewerkt, van 1968 tot 1984, waarvan dertien jaar als voorzitter van de algemene schoolleiding, naast de rector.”

Waarom ging u in de leiding?

„Omdat ik vond dat het onderwijs moest veranderen, omdat leerlingen veranderden. Ik merkte dat ze ongemotiveerd begonnen te raken. De lessen hadden te weinig met henzelf te maken en er was te weinig verband tussen de vakken. Ik wilde dat het onderwijs echt interessant voor hen werd. We begonnen met wat we het A3-A4-project noemden en dan kozen we bijvoorbeeld het thema zee. Bij biologie ging het dan over het leven in de zee, bij de talen over de zee in de literatuur, bij geschiedenis over de rol van de zee in ontdekkingsreizen en oorlogen. Alleen wiskunde viel erbuiten.”

Hielp het?

„Ja, maar het kostte veel tijd en energie, omdat de leerstof op school ontwikkeld werd, samen met de leerlingen. Na twee jaar zei de rector dat we ermee moesten ophouden. Leraren begonnen te klagen over de werkdruk. Ik zei: alles ligt nu toch klaar, het meeste werk is al gedaan. Het mocht niet baten.”

En toen bent u weggegaan?

„Ik ging bij Interstudie werken (een adviesbureau voor schoolleiders – red.), van 1984 tot 1986. Ik gaf vooral cursussen aan vrouwen, omdat zo weinig vrouwen in de schoolleiding kwamen en rector werden. Het was interessant, maar ik miste de kinderen. Na twee jaar vroeg een cursist aan me waarom ik zelf eigenlijk geen rector was geworden. Kort daarna zag ik in de Volkskrant een advertentie van het Roland Holst College in Hilversum. Ik wist dat het geen goede school meer was, hij stond bekend als het Roland Hasj College. Het aantal leerlingen was van 1.200 teruggelopen naar 400. Maar ik dacht: ik ben 50, als het fout gaat, bouwen we de school af, en als het lukt – hoera. Ik was alleen in die tijd, ik had niets te verliezen.”

Wat was er misgegaan op die school?

„Eerst was het een voorbeeldige hbs geweest, daarna een vwo-havo en toen waren er een paar fusies gekomen met mavo’s.”

Ouders zagen het als een degradatie?

„Het was een school voor afvallers geworden.”

Hoe veranderde u dat?

„Ik ben begonnen met het gebouw op te knappen. Het was er zo somber. We zijn naar het tuincentrum gegaan om bloembakken te kopen en bielzen voor op het schoolplein, zodat de leerlingen in de pauze konden zitten. Er kwamen grote lampen in het trappenhuis. Daarna heb ik van de nood een deugd gemaakt, want er waren zo weinig leerlingen dat we geen aparte klassen voor mavo, havo en vwo konden samenstellen. We introduceerden het G-B-Z-systeem, van geleid via begeleid naar zelfstandig leren. We brachten differentiatie in niveau aan, en dan niet met saaie basisstof en leuke extra stof, maar met basisstof die ook boeiend was. We gingen de ouders elke zes weken rapporteren over de werkhouding en het inzicht van hun kind. Dat dwong de leraren om beter naar de leerlingen te kijken. Een zes voor een leerling die geen klap heeft uitgevoerd is wat anders dan een zes met een plus voor een hardwerkende leerling. Na twee jaar maakten we een aparte mavoklas. Havo en vwo bleven tot na het derde jaar gecombineerd.”

Basisvorming zoals die door Jacques Wallage bedoeld was?

„Mijn ervaring is dat het uitstellen van keuzes essentieel is. Kinderen van 12, 13, 14 jaar zijn nog zo in de groei. Ze kunnen nog zo veranderen. Zonde om ze al zo jong op één niveau vast te pinnen.”

Het Roland Holst College werd weer een populaire school.

„De school begon als kool te groeien.”

Wat deed het succes met u?

„Ik ben daar niet zo gevoelig voor. Ik vond het heerlijk om te merken dat de leerlingen het goed hadden. Het wantrouwen bij de leraren was in het begin groot geweest, maar dat begon toen te verdwijnen. De stemming veranderde. Ik zei dat ik gelijkwaardigheid heel belangrijk vond, ook ten aanzien van de conciërges en andere mensen die het ondersteunende werk deden. We organiseerden na elk lesblok van zes weken een sportdag of een excursie voor de hele school. Ik maakte voor de studiedagen voor de leraren zelf thuis de salades, de soep.”

Jan Blokker schreef na de publicatie van het Dijsselbloemrapport dat leraren bij u op school alleen nog maar hun administratie over de leerlingen zaten bij te houden en vast zaten in strakke schema’s.

„Tja.”

Doet het u wat?

Ze aarzelt. „Ik wil graag iets zeggen over de beeldvorming in de pers van wat later het studiehuis is gaan heten. Die is altijd negatief geweest. In 1998 begon Hans Wansink van de Volkskrant al die serie over de onderwijsvernieuwingen, Heimwee naar de HBS. Hij vroeg of ik mee wilde werken en ik zei: natuurlijk, maar kijk ook naar de goede voorbeelden. Nee hoor, in de eerste vier stukken ging het alleen maar over leraren die geen les meer mochten geven. Ik dacht: waar halen ze het toch vandaan?

Nou?

„Ik denk dat de pers veel te ontvankelijk is voor negatieve verhalen. Andersom zijn het altijd leraren die iets te klagen hebben die naar de krant lopen. En als ik kijk naar de onderzoeken waar Dijsselbloem het eindrapport op heeft gebaseerd, dan denk ik: hij is wel zeer selectief te werk gegaan. Dijsselbloem trekt de conclusies die hij kennelijk van plan was te trekken.”

Waarom zou hij dat gedaan hebben?

„Het past in de beweging terug. Vroeger was alles beter. Het lijkt een generatieconflict. Jonge PvdA’ers die afrekenen met oude PvdA’ers.”

Jacques Wallage kwam bij u op het Roland Holst College kijken nadat de school in 1990 was afgebrand.

„Ja. Ik had hem uitgenodigd.”

Kende u hem?

„Nee. Maar ik was ook een PvdA-mens. Kijk wat we hier bereikt hebben, zei ik. Kijk hoe belangrijk het is dat we kunnen doorgaan. In de pers is het later neergezet als een deal: een nieuw gebouw voor de school en ik naar Den Haag om plannen voor onderwijsvernieuwingen uit te werken. Maar hij was al bezig met de basisvorming en met de tweede fase, waarin leerlingen profielen zouden gaan kiezen. Hij zag hoe wij werkten en hoe goed de resultaten waren en dat we geen eliteschool waren. Hij was gewoon enthousiast. En hij was niet de enige. De profielen, de grotere aandacht voor vaardigheden, iedereen wilde dat. Het was in the air.”

Waardoor verdween dat dan weer?

„Ik denk dat het te maken heeft met trends en golfbewegingen. Een trend is bijvoorbeeld de ontwikkeling van de jeugdcultuur. Chatten, baantjes waar ze verantwoordelijkheid dragen, geld verdienen, de opmars van informatie- en communicatietechnologie (ict). Over tien jaar hebben alle leerlingen op school een laptop. Die trend zet gewoon door. Daaroverheen loopt een golfbeweging en begin jaren negentig was er een roep om meer vaardigheden. De universiteiten klaagden dat studenten niet konden samenvatten, niet konden argumenteren en presenteren, niet konden samenwerken.”

Universiteiten zeiden ook dat het onderwijs op school moeilijker moest worden, want ze kregen veel te veel studenten die daar niet op hun plaats waren.

„Ja, en daarom kozen we bij het samenstellen van de profielen voor de studielastbenadering. We wilden vier gelijkwaardige profielen en geen pretpakketten meer. Daarnaast stelden we een nieuwe vorm van didactiek voor: van onderwijzen naar leren. We zeiden dat er wel een prijskaartje aan hing, want het zou wel om een gedragsverandering van leraren en leerlingen vragen.”

U dacht dat die mogelijk was?

„Natuurlijk, maar het kost tijd. We zeiden: zeven tot tien jaar, en er moet geld zijn voor her- en bijscholing. De politiek werkt helaas met termijnen van vier jaar. Tweede fase, profielen, studiehuis, het werd allemaal veel te snel ingevoerd. En geld voor her- en bijscholing was er niet. En ik denk ook wel eens: wat kan een lidwoord toch belangrijk zijn.”

Hét studiehuis?

„Zo ging het het land in. Het leek een blauwdruk, zo moet het. Maar het was bedoeld als een manier om naar verschillen tussen leerlingen te kijken en die serieus te nemen. Leerlingen worden nooit, nou ja, zelden, aangesproken op wat ze al kunnen en weten. Het levert een enorm motivatieprobleem op. Dat zou toch dé trigger moeten zijn om te veranderen?”

Toen de tweede fase was ingevoerd, in 1998, kregen universiteiten opeens veel minder studenten.

„En toen zeiden ze opeens dat een zwaardere studielast nooit de bedoeling was geweest en dat de profielen veel te zwaar waren. Ja, kom zeg.”

Er kwam een scholierenopstand.

„Die begon in Vlaardingen. We zijn meteen naar die school toegegaan en daar bleek dat ze zich helemaal niet op de tweede fase hadden voorbereid. Ze hadden gedacht dat het hun tijd wel zou duren, net als de discussie over de invoering van de basisvorming. Toen moest het opeens toch en dat liep natuurlijk mis. Vervolgens grepen leerlingen via internet hun kans.”

Ze kregen wel hun zin, de profielen werden meteen verlicht.

„We namen Karin Adelmund (toen staatssecretaris onderwijs, PvdA – red.) mee naar een zwarte school in Hoogvliet waar het wel goed ging en we zeiden: wees nou voorzichtig met te snelle maatregelen. Maar het hielp niet.”

In het Dijsselbloemrapport is ze een van de weinige politici die geprezen worden omdat ze luisterde naar leraren en leerlingen.

„Ja.”

Wilde u misschien iets dat niet kon?

„Nee. Heel veel scholen werken nu toch al volgens het concept van het studiehuis en ik durf mijn lijf erom te verwedden dat ze het over tien jaar allemaal doen. Actieve betrokkenheid van leerlingen, léren leren, zelfstandigheid, verantwoordelijkheid dragen, gebruik maken van wat ze al weten en kunnen, ook kijken naar de wereld buiten de school. Leerlingen van nu zijn zo anders dan die van tien, twintig jaar geleden. Door ict zijn er zo veel mogelijkheden bij gekomen. Scholen moeten zich wel aanpassen. Het gaat vanzelf.”

Waren de van bovenaf opgelegde vernieuwingen dan wel nodig?

„Ze wáren niet van bovenaf opgelegd.”

Scholen hebben dat wel zo ervaren.

„Dat begrijp ik nog steeds niet. Ik herinner me de jaarlijkse uitwisselingsbijeenkomsten in een overvolle Jaarbeurs waar iedereen zeer enthousiast was, zeer betrokken. De meeste scholen deden uit zichzelf mee en ze dáchten ook mee. De ideeën kwamen van onderaf.”

Waar is het dan misgegaan?

„Ik zeg het nog maar een keer. Naast alle andere factoren is de rol van de pers zeer negatief geweest.”

Dat is te gemakkelijk.

„Hoe moet ik het zeggen zonder leraren te kort te doen? Ik denk dat maar weinig beroepsgroepen zo terughoudend zijn bij vernieuwingen. Toen er echt een andere werkwijze van hen werd gevraagd, een grotere variatie in werkvormen bijvoorbeeld, toen schrokken ze terug.

Waarom hield u er niet mee op?

„Omdat het concept goed was. En omdat veel scholen het wél zagen zitten. Ze hadden zelf meegedacht over de veranderingen. Ik dacht: hoe dan ook redden wat er te redden valt. Achteraf misschien niet zo verstandig.”

Hoe is het om nu de schuld te krijgen?

Ze haalt haar schouders op. „Door de vragen die mij door de commissie Dijsselbloem werden gesteld vermoedde ik al welke kant het rapport uit zou gaan. Het was geen onaangenaam gesprek. Men was hoffelijk. Maar ik wist dat de conclusie zou zijn dat er weer meer structuur moest komen in het onderwijs, meer frontaal lesgeven, meer toetsen, meer taal en rekenen. Op die golf zitten we nu. Het is helaas een stap terug.”

Waar komt het vandaan?

„Uit een gevoel van onveiligheid. En dan lijkt alles van vroeger al snel beter. Universiteiten willen nu het liefst terug naar het onderwijs van voor de Mammoetwet. Maar de samenleving is de afgelopen vijftig jaar wel ongelooflijk veranderd.”

Heeft u zelf wel eens heimwee?

„Nee. Voor de Mammoetwet was middelbaar onderwijs voorbehouden aan een elite. Sinds de jaren zeventig gaan er veel meer kinderen langer naar school. Dat was de bedoeling. Het is ook de belangrijkste oorzaak dat het gemiddelde niveau gedaald is.”

U bedoelt per definitie?

„Ja, natuurlijk. Dat is ook wat me stoort in het Dijsselbloemrapport. Dat er een verband wordt gelegd tussen onderwijsvernieuwingen en de daling van de kwaliteit van het onderwijs. Dat verband is niet aan te tonen.”

Hoe kan het onderwijs beter worden?

„Alles moet worden ingezet op de kwaliteit van de leraar, want die is essentieel. Goede leraren geven goed les. Ze kijken naar leerlingen en weten wat ze nodig hebben. Dus geef leraren betere salarissen, maar vooral minder uren. Geef ze de ruimte voor nascholing, tijd om lessen voor te bereiden en om leerlingen echt te begeleiden.”

U komt tot dezelfde conclusie als uw grootste tegenstanders.

„Wat dit betreft wel, ja. Dat leraren in de jaren tachtig allemaal hetzelfde salaris kregen, ook al hadden ze een universitaire studie gedaan, dat heeft ook desastreuze gevolgen gehad.”