Eigenzinnig literator en sublieme foeteraar

De schrijver Paul Marijnis laat een klein maar belangwekkend oeuvre na. En zeker één meesterwerk.

Paul Marijnis Foto Alex Koeleman
Paul Marijnis Foto Alex Koeleman Koeleman, Alex

De eerste keer dat ik Paul Marijnis ontmoette, was in 1999 in de Schouwburg van Rotterdam bij de uitreiking van de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. Hij was genomineerd voor zijn bundel Gillette, maar ik won. De tweede keer dat ik hem zag was in 2003 in het clubhuis van de golfvereniging van Paasloo bij de uitreiking van de J.C. Bloemprijs voor de beste tweede bundel. Wederom waren we beiden genomineerd. Hij met zijn bundel Roze zoenen. Die keer won hij. Toen bood hij mij een biertje aan. „Zo”, zei hij. „De stand is 1-1.” Het was het begin van een vriendschap.

Het decor van onze ontmoetingen werd Stadslokaal Burgerzaken in Leiden, op schuifelafstand van het idyllische hofje waar hij woonde met zijn kat, de Jongeheer Raffles. Hij zat er vrijwel dagelijks, kettingrokend met zijn elegant messing bebrilde eihoofd en zacht mopperende stem, het bescheiden postuur tijdloos gekleed in ribfluwelen pantalon en bijpassend morsig colbert, zoals de oudere intellectueel betaamt. Want al liepen onze carrières min of meer parallel, hij was veel ouder dan ik.

Marijnis debuteerde pas op 47-jarige leeftijd met de roman De zeemeermin en ten tijde van zijn poëziedebuut was hij 52. Daarvoor had hij een leven geleid als corps-student, journalist en redacteur van deze krant en reiziger naar bizarre oorden als Katmandu, waarover hij de meest ongeloofwaardige verhalen kon vertellen. Wij vonden elkaar in onze afkeer van bijna de hele Nederlandse literatuur. Paul Marijnis was een sublieme foeteraar.

Hij is nooit beroemd geworden, of, wat hij zelf veel erger vond, nooit op televisie geweest. Hij had het verdiend, want zijn in omvang bescheiden oeuvre is een van de meest eigenzinnige, baldadige, valse en vitale bijdragen aan de literatuur die ik ken. Zijn poëzie oogt traditioneel. Het zijn verzen van een door de wol geverfde ambachtsman. Maar overal loert een vuiligheidje. Zijn beste werk vind ik de roman De loden schoentjes uit 2006. Het is een schande dat dit boek geen grote prijs heeft gewonnen en zelfs nauwelijks is opgemerkt. In een razende, ziedende, vloekende en verbijsterend jeugdige stijl wordt het verhaal verteld van Mar, die ontsnapt uit een kinderbordeel door het eigenhandig in de fik te steken en samen met het punkmeisje Pacman, haar grote liefde, de wereld naar haar hand zet. Het is een verbijsterend boek. Nietsontziend en toch ontroerend. Een stilistisch meesterwerk. En volslagen uniek.

Woensdag hoorde ik dat hij plotseling was overleden aan de gevolgen van een beroerte. In Stadslokaal Burgerzaken hebben ze donderdag de hele avond tafel twee vrijgehouden, zijn favoriete tafeltje bij het raam met uitzicht op de Breestraat en het stadhuis. Op dat tafeltje brandde een kaars voor hem. Even leek het alsof ik hem zag zitten met een glas witte wijn aangelengd met water (‘bocht’, noemde hij dat), met een boekje van Lewis Carroll of Oscar Wilde achter een volle asbak, mopperend op de wereld en de Nederlandse literatuur in het bijzonder. Ik heb een vriend verloren en de Nederlandse literatuur haar meest eigenzinnige tuchtiger.

    • Ilja Leonard Pfeijffer