‘Ik deug alleen voor de poëzie’

Leonard Nolens, vandaag 61 geworden, is met Bres genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. De bundel vormt een breekpunt in zijn oeuvre: ‘Alsof ik meer ruimte en adem kreeg.’

Leonard Nolens: ‘Ik dacht: ik ben iets breder geworden dan mijn schouders’ Foto Vincent Mentzel Leonard NOLENS (1947),dichter,dagboekschrijver. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam, 7 april 2008
Leonard Nolens: ‘Ik dacht: ik ben iets breder geworden dan mijn schouders’ Foto Vincent Mentzel Leonard NOLENS (1947),dichter,dagboekschrijver. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam, 7 april 2008 Mentzel, Vincent

Op de dag van de uitreiking – vandaag – is hij jarig. De VSB Poëzieprijs zou een mooi cadeau voor zijn 61ste verjaardag zijn. Maar Leonard Nolens wuift het idee weg. „Dit is al mijn vierde nominatie in tien jaar.”

De bundels Honing en as, Voorbijganger en Derwisj gingen Bres voor. Voor flinke delen van deze bundel is het daarmee de tweede keer dat ze worden genomineerd, want Bres is een compilatie van cycli die al stonden in eerdere bundels. In Bres staan twee nieuwe gedichten.

De titel verwijst onder meer naar een poëticale doorbraak bij Nolens. Hij gebruikte, voor het eerst in zijn oeuvre, de wij-vorm. Al die tijd bediende de lyricus zich van de ik-vorm, zich in zijn vele liefdesgedichten wendend tot een jij. Nolens: „Met die twee woorden, dat eeuwige ‘jij’ en dat eeuwige ‘ik’, zat ik opgesloten in mijn eigen intimistische jargon. Ik vroeg me af wat ik eigenlijk zei, als ik ‘ik’ zei, en naar wie of wat dat ‘ik’ dan verwees.”

De dichter onderzocht de veelkantigheid van zijn ik uitputtend, tot het voorjaar van 1996. „Op dat moment kreeg ik de indruk, de illusie, dat ik het woord ‘wij’ kon gebruiken. Dat was bevrijdend. Ik dacht: ik sla een bres, ik brand een gat in het blad. Het was alsof ik meer ruimte en adem kreeg.” Niet dat hij geheel los was van zijn oude obsessie. „Het wij fascineerde me ook omdat het toch een vorm van ik-zeggen is.”

Aanvankelijk dacht Nolens aan een eenmalige oprisping, niet aan een serie. „Ik dacht: ik ben iets breder geworden dan mijn schouders. Maar de wij-vorm is mij blijven achtervolgen. Er kwam een tweede en derde cyclus, en zo werd het een bundel in wording waarvan ik onderweg de stappen kon tonen.”

De behoedzame dichter zag risico’s in het kiezen voor een wij-vorm: „Wij is ook het wij van de politiek, van de religies, van de ideologieën.” Hij wijst ook op de bevindingen van de psychoanalyse. „Als ik zeg wij: wie komt er dan niet allemaal de kamer binnen? Wij zijn allemaal gemaakt van anderen. Als ik met jou spreek, spreek ik niet alleen met jou, maar ook met je vader, je moeder, je eventuele zussen of broers en je voorvaderen. Met alles en iedereen die jou hebben gemaakt tot wat je bent. Ik spreek met een gemeenschap, in zekere zin.”

Met die last worstelt hij. „Met alles wat je van anderen krijgt, moet je maar proberen iets als een individu te creëren. Dat heeft mij van meet af aan geïntrigeerd en beangstigd.”

Hij zette zich over zijn bezwaren heen en tekende in de cyclus ‘Wij waren de zwijgers na mei 45’ een portret van zijn generatie. De cyclus is het hart van de bundel: een dwingende, ritmische zang over de studenten die zich afzijdig hielden tijdens de revolte van mei ’68. Nolens was toen een 21-jarige student in Antwerpen, de stad waar hij nog steeds woont. De herhaalde mantra in de cyclus luidt: ‘Wij waren weinigen. Wij waren sommigen. Wij waren enkelen. Wij waren anderen.’ Nolens schreef een kleine geschiedenis naast de grote, die wordt gedomineerd door het idee dat in 1968 alles anders werd. „Ik heb mij er altijd aan gestoord dat een hele generatie, mijn generatie, over één kam werd geschoren. Vaak dacht ik: dit gaat niet over mij.”

Laffen

Dat hij en zijn vrienden anders waren, was geen kwestie van trots. Nolens schrijft: ‘Wij waren de laffen. Wij zagen pas later de lef van ons eenzame gangpad.’ Tegelijk hekelt hij de eenheidsworst van de meute: ‘Wij werden zwarte schapen in gekloonde stallen/ Vol babyboomers.’

Nolens: „Ik kwam uit een burgerlijk milieu, uit Bree, een klein provinciestadje, en ik kon me niet vereenzelvigen met wat mijn medestudenten, hagenpredikers noem ik ze, op de hoeken van de straten door een megafoon stonden te schallen. Bij mij en anderen die zich afzijdig hielden, leefde wel het verlangen om aansluiting te zoeken, maar die utopie van een hechte kameraadschap tussen alle milieus was te veel gevraagd. En ‘de verbeelding aan de macht’: ik wist niet goed wat ze daar me bedoelden.”

Toen al zocht hij afzondering om gedichten te kunnen schrijven en te studeren. „Ik bleef op mijn werkkamertje met de overgordijnen dicht.”

Die houding ging gepaard met schaamte en schuldgevoel. „Je kreeg het stigma wereldvreemd te zijn.” Daar schreef hij al eens het gedicht ‘Engagement’ over, dat begint met de regel: ‘Wereldvreemd, zeg je. Maar vreemd aan welke wereld?’

Als student sprak hij zich niet openlijk uit. „Dat durfde je niet. Je stond alleen, met een paar vrienden die net zo kritisch waren. Dat heeft ook te maken met mijn persoonlijkheid, met verlegenheid en angst voor openbaarheid.”

Is de bundel dan ook een revanche? „Voor een deel. Mijn gedichten vormen geen historisch traktaat, maar er is ook een andere geschiedenis, mijn geschiedenis.”

Bracht de studentenrevolutie geen verbeteringen? „Velen hebben er baat bij gehad. Voor mij gold dat voor het doorbreken van de repressieve seksuele moraal, zeker omdat ik een strikt katholieke opvoeding had gehad. Maar de veranderingen hadden ook pijnlijke gevolgen, zoals ik ook schrijf: kapotte families, huwelijken die aan stukken gaan, kinderen die verlaten worden en vaderloos worden. Ik wil niet generaliseren, maar ik denk niet dat wij goede vaders zijn geweest. Omdat we zelf op de dool waren en dachten dat alles mocht en alles kon.”

De opbouw van de bundel is als bij een roman, aldus Nolens. De eerste cyclus is een ongrijpbare, bijna surrealistische vertelling over een groep zwervende mensen, omgeven door oorlog. „Je kan zeggen dat het gaat over de oorlog die aan mij vooraf is gegaan. De tweede cyclus stelt vervolgens de vraag hoe opnieuw te beginnen, na wat er in de oorlog is gebeurd. Zij die toen werden geboren, werden met een verschrikkelijke erfenis opgezadeld.”

Na het deel over mei ’68 volgt een cyclus over Antwerpen, getiteld ‘Hoe ziet mijn stad eruit als ik haar droom?’ Hier wordt de wij-vorm losgelaten. Nolens: „Ik moest weer ik zeggen om het grote wij van de stad aan te kunnen.” Hij richt zich tot Antwerpen. „Mijn gedichten kan ik alleen schrijven als ik iets of iemand aanspreek. Ik droom ervan over dingen te schrijven, over een tafel bijvoorbeeld , maar dat kan ik niet.”

Zijn vertrek uit zijn geboortestad was een breuk. „Bree is een stadje van middenstanders, een beetje saai.” Op zijn achttiende ging hij eerst in Namen en daarna in Leuven studeren. Vervolgens was hij een jaar thuis, werkend in de zaak van zijn vader, die ook de zaak was van zijn grootvader en zijn overgrootvader. „Dat zegt al iets: dingen die doorgegeven worden.”

Hij verliet ‘een huis vol doden’, schrijft hij. „Dat zinspeelt op mijn vader, die stierf toen ik 19 was. Ik bleef achter als jongste van vijf, de anderen waren al uitgezwermd. Mijn gevoel was dat er een kern wegviel uit mijn leven.” Hij schrijft ook over vertrekken op het moment dat ‘het vloerkleed van de jongenskamer vlam vat’. Nolens: „Ik kon niet blijven. Ik moest weg, weg, weg.”

Prachtig

De vijfde, afsluitende cyclus is anders van toon. Hij bestaat uit tien gedichten van drie kwatrijnen die elk beginnen met de regel: ‘Het is een prachtig boek.’ Het laatste kwatrijn van cyclus en bundel luidt: ‘Het is een prachtig boek/ Dat ik pen, dat ik ben, dat ik nooit/ Zal kennen. Geen doek dat hier valt. Geen mens die dat boek ooit kan schrijven.’

Daarmee komt de dichter, na een reis door de geschiedenis, uit bij zichzelf: de dichter voor wie schrijven een manier van leven is en elk gedicht een geboortebewijs. „Een bundel is nooit goed genoeg”, zegt hij. „Het ideale boek schrijven is een onmogelijke opgave, maar een onmogelijke opgave is precies wat je wilt.”

Schrijven was voor Nolens nooit een glorieuze roeping. „Het is, en ik durf het woord bijna niet uit te spreken, een noodoplossing. Ik heb nooit een vaste baan gehad. Ik kan me niet voorstellen dat iemand mij zou dicteren wat ik moest doen. Ik moet elke dag mijn leven vorm geven.”

Bres is zijn antwoord aan zijn generatiegenoten van weleer. „Ik schreef het om te laten zien dat schrijven het enige is waar ik voor deug.” En dat vroegere schuldgevoel is bijna overwonnen. „Misschien durf ik onderhand te denken: oké, ik zonder mij af, maar jullie krijgen er wel wat voor terug.”