Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Filosofie

Filosofie moet het leven moeilijker maken

In deze Maand van de Filosofie gaat het over ‘de stad’, maar ik zou het graag even over filosofie willen hebben. Filosofie is in, lees je vaak. Het feit dat er sinds een paar jaar zo’n speciale Maand bestaat, lijkt dat te bevestigen. Toch krijg ik de indruk dat er maar een paar zijtakken van de filosofie echt in zijn: cultuurkritiek en levenskunst. Is dat nou de filosofie waar de wereld behoefte aan heeft?

Volgens Joep Dohmen wel. Hij is hoogleraar Wijsgerige en Praktijkgerichte Ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht, en ter gelegenheid van de Maand van de Filosofie heeft hij een lijvig essay geschreven: Het leven als kunstwerk. Een populaire keuze. Want wat blijkt? Bij Dohmen zijn levenskunst en cultuurkritiek twee zijden van dezelfde medaille. ‘In Nederland mag vrijwel alles, als je maar eties bent’, schreef Gerard Reve ooit, dus ik denk niet dat hij veel protest hoeft te verwachten.

Van de levenskunst wil Dohmen de ‘nieuwe publieke moraal’ maken. Daarvoor is hij zelfs bereid om een ‘geestelijke burgeroorlog’ voor lief te nemen, sterker nog, hij vindt het hoog tijd worden dat zo’n burgeroorlog er komt. Als we hem mogen geloven staat onze cultuur op het punt ten onder te gaan. Niet aan Rita of Geert of aan het moslimextremisme, maar aan de ‘vrijheid-blijheidideologie’ van het neoliberalisme. ‘Platte zelfgerichtheid, grof gedrag, gemakzuchtig hedonisme, zelfverrijking en zinloos geweld beheersen het alledaagse leven’, luidt de diagnose. ‘Cynisme’ en ‘onverschilligheid’ alom, en dan hebben we het nog niet eens over de ‘korte lontjes’, de ‘hypes’ en de ‘babbel-, zap- en beeldcultuur’.

In een interview met Filosofie Magazine, altijd tuk op wijsgerig moralisme, las ik dat Dohmen ‘woede’ als een van zijn persoonlijke problemen beschouwt. Die bekentenis nam me voor hem in – totdat ik begreep dat die woede niet zozeer zijn eigen ‘korte lontje’ betrof als wel de cultuurkritische clichés waarmee zijn essay vol staat, zij ’t niet omdat het clichés zijn. Dohmen gebruikt weliswaar geregeld de wij-vorm als hij zijn bezwaren tegen de geest der tijd formuleert, maar je krijgt geen moment de indruk dat hij ze ook op hemzelf vindt slaan.

Ziedaar de blinde vlek van de cultuurkritiek; zij wordt bijna altijd geschreven vanuit een archimedisch punt dat niet bestaat. Een echte dokter onderzoekt een patiënt die als een zelfstandig wezen voor hem staat. De ‘dokters van de cultuur’ (Nietzsche) houden zich bezig met lichamen waarvan ze zelf deel uitmaken. Als dat lichaam echt ziek is (en volgens Dohmen zijn ‘we’ dood- en doodziek), dan zouden de symptomen ook aan het eigen lijf te bespeuren moeten zijn.

Daarvoor is zelfkennis nodig. Welnu, dat komt goed uit, want ook Dohmen bepleit zoiets – bij hem behoort de zelfkennis alleen tot de remedie. Die remedie heet behalve levenskunst ook zelfzorg: pas wie aandacht heeft voor zichzelf, zonder in narcisme te vervallen, pas wie keuzes durft te maken en dus ook nee kan zeggen tegen zijn eigen verlangens als het nodig is, kan werkelijk aandacht opbrengen voor anderen. Levenskunst wordt dan ‘samenlevingskunst’, schrijft Dohmen, die deze combinatie van solo en samenspel vergelijkt met een ‘jazzimprovisatie’. Zo zou het hele leven moeten klinken.

Wat kan daar tegen zijn? Niets natuurlijk: probleem opgelost. Maar is dat wel de taak van de filosofie, problemen oplossen? Daar hebben we tegenwoordig toch hele andere sectoren voor, te beginnen met het alom aanwezige therapeutendom. Begint filosofie niet juist daar waar de oplossingen ophouden, zodat er ook niet meer van problemen kan worden gesproken?

Misschien moet hier het woord waarheid vallen – in Dohmens essay komt het opvallend weinig voor. De waarheid bijvoorbeeld van de eindige menselijke conditie. Dohmen noemt zijn levenskunst een ‘ethiek van de eindigheid’; hij is niet zo naïef om gouden bergen te beloven, geluk is ook bij hem niet ‘maakbaar’ en de eindigheid of tragiek van het leven valt nooit op te heffen. Levenskunst kan een mens wel minder weerloos maken tegen rampspoed en tegenslag, zonder dat hij verhardt tot onverschilligheid. Dat is mooi: deze levenskunst combineert the best of both worlds.

De vraag is alleen: neem je dan de eindigheid van de menselijke conditie nog voldoende serieus? Die blijft niet beperkt tot het stervensuur, maar doortrekt van meet af aan het hele leven. Moeten er aan de zelfkennis niet wat strengere, ja meedogenlozere eisen worden gesteld? Het risico is wel dat dan het goede leven (doel van alle levenskunst) steeds verder uit het zicht raakt – ten gunste van de waarheid, het borende inzicht in de eindigheid en haar tragische consequenties.

Een van de consequenties voor de filosofie zou kunnen zijn dat de waarheid en het goede leven twee heel verschillende dingen zijn. Met als tweede consequentie, nauwelijks minder tragisch, dat ze allebei van evenveel waarde zijn, zonder dat ze zich met elkaar laten verenigen. Hoe die tegenstrijdigheid te verdragen? Dat lijkt me echt een vraag voor de levenskunst. In het aan het licht brengen van de tegenstrijdigheid zelf, zo volledig en zo radicaal mogelijk, zie ik de eerste taak van de filosofie.

In onze humanistische, liberale en pragmatische wereld die voor elk probleem de passende oplossing zoekt en vaak meent te vinden, zou de filosofie het als haar rechtvaardiging, haar trots en haar unieke belang moeten beschouwen dat zij het leven niet makkelijker maakt, maar juist moeilijker.