De mens moet leren leven met zijn ‘Unheimlichkeit’

Rudi Visker: Lof der zichtbaarheid. Een uitleiding in de hedendaagse wijsbegeerte. SUN, 343 blz. € 24,90
Rudi Visker: Lof der zichtbaarheid. Een uitleiding in de hedendaagse wijsbegeerte. SUN, 343 blz. € 24,90

Rudi Visker: Lof der zichtbaarheid. Een uitleiding in de hedendaagse wijsbegeerte. SUN, 343 blz. € 24,90

Het ligt in deze tabaksvijandige tijd niet voor de hand in een wijsgerige verhandeling te stoten op een lofzang op het roken. Maar, zo schrijft de Leuvense filosoof Rudi Visker in zijn boek Lof der zichtbaarheid, de gehechtheid aan de sigaret is niet alleen een kwestie van nicotine-afhankelijkheid. Wie ermee wil stoppen bemerkt dat hij op den duur vooral het gebaar van het roken mist. De verslaving wortelt niet in een toevallige hebbelijkheid, maar in het wezen van zijn bestaan zelf.

Visker ontleent dat voorbeeld aan de Frans-joodse filosoof Emmanuel Lévinas, die ook al centraal stond in zijn drie jaar geleden studie Vreemd gaan en vreemd blijven: filosofie van de multiculturaliteit. In dit nieuwe boek krijgt hij gezelschap van Martin Heidegger, wiens werk door Visker diepgravend wordt becommentarieerd en gekritiseerd. Centraal staat daarbij de vraag wat dat ‘wezen’ van mijn bestaan eigenlijk is.

Het existentialisme had daar wel een antwoord op. De mens had zijn eigen levensproject te ontwerpen én te vervullen. Door de aanvaarding van zijn eigen dood, zei Heidegger; door de omarming van zijn vrijheid, zei Sartre. Maar één obstakel stond daarbij altijd in de weg. Hoezeer de existentialistische mens ook probeerde ‘zichzelf’ te zijn, steeds weer moest hij vaststellen dat hij iets anders bleek te zijn dan hij van zichzelf dacht. Soms was het de blik van de ander die hem dat duidelijk maakte, soms waren dat ook zijn eigen producten.

Mooi beschrijft Visker de bevreemding die iemand kan overvallen wanneer hij iets terugleest dat hij ooit zelf geschreven heeft. Hij herkent het, maar tegelijk is het hem vreemd. De stijl is anders dan hij van zichzelf verwacht had, de woorden minder goed gelukt dan gewenst. Herlezen heeft daarom vaak iets onaangenaams. Ik ben kennelijk niet wie ik denk te zijn, en toch ben ik het en moet ik dat laatste weten te erkennen.

En daar komt voor de roker de verlossende sigaret te pas. In het gebaar van gedachteloze bezonkenheid (aansteken, as aftippen) ziet de roker zich een paar minuten lang ontslagen van die plicht zichzelf te moeten herkennen in wat voor hem tegelijk een vreemde binnen zichzelf is. Niet-rokers – zo mogen we veronderstellen – hebben daar zo hun eigen momenten voor.

Maar die onthechting duurt altijd maar even, zo stemt Visker met Lévinas in. Niets verlost mij duurzaam van de onbehaaglijke vreemdheid die ik ten aanzien van mijzelf ervaar. Zelfs niet de toewijding aan de ander, waarin Lévinas nog de verlossing van het mensenbestaan zocht. Voor Visker was hij daarin te haastig. Niet de andere mens en al helemaal niet de goddelijke Ander die Lévinas daarachter ziet opduiken, doen het ongemakkelijke besef verdwijnen dat ik ‘mijzelf’ niet ben.

Met die ‘Unheimlichkeit’ moeten we leren leven, zo concludeert Visker. Dat is misschien wel de belangrijkste boodschap van het zo vaak gesmade ‘postmodernisme’. In plaats van alles willekeurig en onverschillig te maken (zoals het vaak verweten wordt) erkent het juist het bestaan van iets waarop we geen greep hebben maar dat ons juist allerminst onverschillig is.

Die discrepantie moeten we volgens Visker een plaats leren geven in ons bestaan. Niet alleen door haar te erkennen, maar door haar ook letterlijk buiten mijzelf te plaatsen. Met deze paradox komt het bewuste denken alléén immers niet rond. Het heeft de steun van de wereld en de uitwendigheid nodig om zich van zichzelf te verlossen.

Mooi is het voorbeeld van de rouw dat Visker daarbij geeft. Wie kent niet het ongemakkelijke besef bij de dood van een persoon die ons nastond niet genoeg te kunnen rouwen, of zelfs helemaal niet of in ieder geval niet voortdurend? In het bedroefde zelf huist er kennelijk een ‘ik’ dat voortdurend tekortschiet ten aanzien van wat het zelf zou willen. Daarom hebben we begrafenisrituelen die die rouwplicht als het ware van ons overnemen. Zij ontlasten ons omdat zij voor ons rouwen, zo schrijft Visker, met een duidelijke verwijzing naar zijn Leuvense collega Paul Moyaert.

Lof der zichtbaarheid bevat een reeks van dergelijke treffende voorbeelden, die de soms wat érg technisch-filosofische uiteenzettingen aanschouwelijk maken. Daarbij raakt Visker veel meer onderwerpen aan dan hier kan worden weergegeven, van Vlaams Belang tot het Berlijnse Holocaustmonument. Zo technisch als het boek vaak is, zo relevant zijn ook de inzichten voor de politieke en sociale werkelijkheid waarin wij leven – al moet de lezer daarvoor wel de nodige moeite doen.