Nieuwe spreekwoorden

De laatste tijd hoor ik met enige regelmaat: ‘Ja maar, is nee!’ Eerst begreep ik het niet, maar er wordt het volgende mee bedoeld: als iemand een voorstel doet, en je antwoordt met ‘ja, maar,’ dan zeg je eigenlijk dat je dat voorstel niets vindt. (‘Zullen we gaan paintballen?’ ‘Ja, maar er zitten best wel veel oude mensen in het team, dus we kunnen ook gaan bowlen.’)

Om het ondermijnende ‘ja, maar’ tegen te gaan, roepen positief ingestelde types nu meteen: ‘Ja maar, is nee!’

Moeilijk. Want soms vind je iets natuurlijk best een goed voorstel, maar wil je er toch nog iets aan toevoegen. Of het wat bijstellen. En direct ‘nee’ zeggen is ook zo bot.

‘Ja maar, is nee’ zou best eens een nieuw spreekwoord kunnen worden. En dat is uitzonderlijk, want spreekwoorden hebben eigenlijk allemaal gemeen dat ze uit grootmoeders tijd komen, dat niemand ze echt begrijpt, en dat ze buitengewoon oubollig in gebruik zijn. Recentelijk nog iemand tegengekomen die zei: ‘Pas als het kalf verdronken is, dempt men de put’? Of: ‘Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding’? Dat dacht ik al.

Wat ik wel redelijk vaak hoor, is dat mensen een spreekwoord anders formuleren, zodat er ineens weer een zweem van originaliteit omheen hangt: ‘Ja, het was weer een typisch geval van de klok en de klepel.’

Maar echt nieuwe spreekwoorden? Die ontstaan niet zo gauw. Ik voorspel dus ‘Ja maar, is nee’. Verder maken goede kans:

‘Als je haar maar goed zit’, ‘Kan niet, kennen we niet’, ‘Een plus een is drie’, en natuurlijk het nu al bijna weer oubollige: ‘Elk nadeel heeft/heb z’n voordeel’.

Uit deze kleine inventarisatie rijst wel al meteen het beeld op dat onze nieuwe spreekwoorden bijna uitsluitend worden verzonnen door bedrijfstrainers, voetbalcoaches en reclamemakers.Een pijnlijke conclusie.