‘Orkesten moeten flexibeler werken om te overleven’

Peter IJzerman, voorzitter van het Contactorgaan van Nederlandse Orkesten, wil de symfonische muziek redden. „We moeten af van de huidige starheid.”

Peter IJzerman Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Peter IJzerman Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 080327
Peter IJzerman Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Peter IJzerman Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 080327 Boyer, Maurice

Kasper Jansen

„De Nederlandse orkesten moeten in de komende decennia houden met een aanzienlijke vermindering van concertgangers. We moeten met een vernieuwing niet alleen de orkestwereld redden maar ook bijna de klassieke muziek zelf”, zegt Peter IJzerman, de voorzitter van het CNO, het Contactorgaan van Nederlandse Orkesten.

Nederland telt steeds meer subculturen, die geen band hebben met klassieke muziek. Maar ook voor vele autochtonen is die steeds minder vanzelfsprekend. En het publiek heeft steeds meer keuze in het besteden van vrije tijd, is de analyse van IJzerman. „Niettemin luisteren nu 2,6 miljoen mensen minstens één keer per week naar klassieke muziek. Maar dat betekent niet dat ze ook naar onze concerten komen. Die trekken 1,3 miljoen bezoekers per jaar. Via de media, cd’s en downloads gaat de muziekconsumptie steeds gemakkelijker”, zegt IJzerman.

Om zich te handhaven en de klassieke muziek in leven te houden, moeten de orkesten anders, beter, efficiënter en flexibeler gaan werken. Nederland heeft nu nog een rijke symfonische cultuur, de orkesten hebben een hoog artistiek niveau en de Nederlandse orkestwereld heeft internationaal een hoog aanzien.

Maar de orkesten hebben problemen: het wordt in een internationale arbeidsmarkt steeds moeilijker om topmusici te werven. Het Koninklijk Concertgebouworkest wil twintig procent meer subsidie om hogere salarissen te kunnen geven. Ook andere orkesten willen meer subsidie. Sommige orkesten staan er financieel slecht voor.

„Tegelijkertijd stellen subsidiënten steeds meer eisen aan de orkesten. Ze hebben nu maatschappelijke taken, zoals educatieve activiteiten, ze moeten een zakelijker beleid gaan voeren en een groter deel van hun budget zelf verdienen, terwijl de kosten van musici, dirigeren en solisten stijgen. Het is te gemakkelijk om te zeggen: iedereen meer geld, dan is het probleem opgelost.”

IJzerman was jarenlang bestuursvoorzitter van het Orkest van het Oosten en is na zijn pensionering als politiekorpschef van Twente nu voorzitter van het CNO, de werkgevers in de orkestwereld. Met zijn ervaring in personeelsbeleid kijkt hij bevreemd naar de traditionele arbeidsverhoudingen en het gebrek aan flexibiliteit in de orkesten.

„Het bijna onwrikbare systeem om voor een heel seizoen het werk vast te leggen, brengt sommige directeuren tot wanhoop, als ze marktgericht willen opereren. Riante winstgevende buitenlandse tournees zijn afgezegd, omdat musici al het elders spelen in ensembles, het geven van lessen en schnabbels hebben vastgelegd. Dat gebeurt in uren waarvoor het orkest ze al betaalt. Niemand haalt 100 procent van de werktijd.”

IJzerman ziet bij de orkesten niet of nauwelijks een samenhangend personeelsbeleid. „Het proefspel is een sacraal gebeuren. Maar talentontwikkeling – leren in wisselwerking van theorie en praktijk – kennen we niet. Loopbaanbeleid, ouderenbeleid, functioneringsgesprekken, tussentijds bijspijkeren bestaan niet of nauwelijks. Het is bizar dat volgens de cao een eerste blazer op zijn 60ste in rang moet worden teruggezet, weliswaar met behoud van salaris. Het is discriminatie dat zomaar wordt aangenomen dat een zestigjarige geen topprestatie meer kan leveren. Een musicus won dan ook en beroepszaak bij de Commissie gelijke behandeling.”

De orkesten gaan met de vakbonden praten over taakbelasting, flexibiliteit, de hoogte van het salaris in vergelijking met soortgelijke sectoren en een samenhangend personeelsbeleid. „We willen geen confrontatie met de bonden”, zegt IJzerman. „Het doel is de hele sector ook over vijftien jaar artistiek hoogwaardig en levend te houden. Anders zakken we af, worden knelpunten groter en wordt de publiekstoeloop minder. We moeten af van de nu bestaande starheid en met de maatschappij meegaan.”

IJzerman wil een coherente en systematische muziekeducatie om nieuwe generaties in contact te brengen met klassieke muziek. Dat moet via een expertisecentrum, samen met conservatoria, het onderwijs, de amateurs en de koren. Orkesten kunnen vergevorderde conservatoriumleerlingen stageplaatsen geven. Ook zouden orkesten zich kunnen opdelen om bijvoorbeeld tegelijkertijd een barokconcert en een kamermuziekconcert te kunnen spelen.

„De orkesten kunnen in een aantal gevallen meer gaan samenwerken, gezamenlijke acties ondernemen, in elkaars series spelen. Functiedifferentiatie is een mogelijkheid: waarom moet elk orkest op ieder terrein uitblinken en ook nog Mahler spelen? Er moet contact worden gezocht met de ensembles. Met dit soort ideeën bereikt men een redelijke kostenreductie en begint een vernieuwingsbeweging, die de hele klassieke muziek impulsen geeft. Anders dreigt sanering. En weg is weg. Er is nog nooit een orkest heropgericht.”