DIE BLECHTROMMEL

Bij boekverfilmingen is er altijd discussie: is het boek beter of de film? Joyce Roodnat gaat bewijzen dat het anders kan. Met negen boeken en negen films die beide een meesterwerk genoemd kunnen worden. Deze maand Die Blechtrommel, van schrijver Günter Grass en filmmaker Volker Schlöndorff.

Een paardenkop. Een dooie paardenkop, opgevist uit de rivier waar hij dienst deed als palingval. Zoiets werkt, hoor, kijk maar, er kronkelt een paling uit het natte paardenoor, er kruipt er één tussen de grote tanden, er glibbert er ook één uit een oogkas. In de roman De blikken trommel valt die kop vol paling nauwelijks op, het is een van de vele groteske incidenten die hoofdpersoon Oskar zich herinnert. Maar heeft iemand het over de film Die Blechtrommel, dan begint hij over de scène met de paardenkop.

Ja, die andere bekende paardenkop uit de filmgeschiedenis, dat bloedende paardenhoofd-in-bed in The Godfather, dat was ook schrikken. Dat was zo’n typische maffia-intimidatie in het kader van an offer you can’t refuse, jeweetwel. Dat gaf even een shockeffect, en dan zette je het van je af. Het Medusahoofd uit Die Blechtrommel is anders. Dat gaat verder. Het wil geen kwaad, het ís het kwaad.

Is die kop eenmaal opgevist dan is er geen houden meer aan. De driehoeksverhouding tussen Oskars moeder, haar man en haar minnaar wordt erdoor beslist: haar echtgenoot bereidt de paling met zorg, zet hem zijn kokhalzende vrouw voor en dwingt haar te eten. Haar hysterie wordt gestelpt door haar minnaar. Discreet, met de echtgenoot min of meer in zicht, bevredigt hij haar (en veegt na afloop even discreet zijn hand af – gelukkig is de filmer die dit achteloos kan laten zien, in tegenstelling tot de schrijver die er de nadruk op legt zodra hij het beschrijft, zelf als hij de terloopsheid van het gebaar noteert). Zwijgend, met haar gezicht op slot, zal de moeder zich daarna dood vreten. Aan vis uit blik, de olie druipt van haar kin. Ze sterft en tussen haar zoontje Oskar en nazi-Duitsland zit nu geen buffer meer.

Volker Schlöndorff verfilmde de roman die Günter Grass schreef. De Duitse geschiedenis die de mensen besluipt, hun politieke onverschilligheid, hun opzettelijke onnozelheid – de roman beschrijft ze, de film toont ze, satirisch, en zonder mededogen of begrip, vooral dat valt op. Beide vertellen een verhaal. Wie doet dat beter? Die vraag is in dit geval onbelangrijk. Het boek beïnvloedt het kijken naar de film. De film verrijkt het lezen van de roman.

Schlöndorff filmt in een stijl die het literaire magisch realisme van Grass aanvult met iets dat je verscherpt realisme kunt noemen. Dat werkt ontregelend, omdat zelfs de normaalste dingen er meteen lichtelijk gevaarlijk uitzien. Ook die zonnige straat. Die kamer vol visite. Die flirt. Dat kind van drie.

Oskar is drie. Hij slaat met twee stokken op het rubberen vel van zijn roodwit gelakte kindertrommel, die zijn houvast is, zijn wapenrusting. Wat je lezend nog met een korreltje zout kunt nemen als je wilt, dwingt de film je te accepteren: Oskars parmantige gruwel.

Al voor hij geboren is, zien we Oskar in de baarmoeder zitten, een foetus met bolle ogen vol verwijt. Hij spreekt met een grimmige jongensstem die van hetzelfde blik gemaakt is als de trommel die hem bij zijn geboorte voor zijn derde verjaardag beloofd wordt, van hetzelfde blik waarin de vis zit waarmee zijn moeder zich later zal ombrengen.

Op die derde verjaardag, hij heeft inderdaad de trommel kado gekregen, onderneemt hij actie. Als een kind stort hij zich van de keldertrap, als een monster ontwaakt hij uit zijn bewusteloosheid. Hij groeit niet meer, hij blijft zo kort als een kleuter. Wordt hij getergd of tegengewerkt, dan laat hij glas barsten door hoog en strak te gillen.

Oskar is een drummer, Oskar is de jazz. Zijn aanwezigheid werkt ontregelend, gaat tegen de maat in. In de mooiste minuten van de film verstoort hij een nazi-feest door met zacht getrommel het fanfarekorps af te brengen van een stramme militaire mars en mee te nemen naar de Schöne Blaue Donau van Johann Strauss.

Maar nu David Bennent. Hij is de zoon van Heinz Bennent, een gerenommeerde acteur die trouwens ook een rol heeft in deze film. Zonder David Bennent was Die Blechtrommel verloren geweest. David Bennent (1966) was 11 toen hij Oskar speelde. Hij was klein en hij bleef klein. Ook vandaag meet hij 1 meter 55. Zijn rode oren zitten laag aan zijn hoofd, en kijken doet hij zonder knipperen. Hij heeft van nature de mimiek van een reptiel en kan bewegen met de drift van een kobold. Dat was mooi meegenomen, maar op zichzelf was dat niet genoeg. Dat David Bennent in staat is geweest om Oskar, literair hersenspinsel, metafoor en onmogelijk personage, geloofwaardig gestalte te geven, is een wonder. Deze elfjarige jongen is het gelukt om een kleuter neer te zetten, die zich bovendien aannemelijk ontwikkelt tot een jongvolwassene die zich een eigen zoon wenst.

Sowieso komt het niet vaak voor dat iemand van elf goed kan acteren als hij niet schattig of grappig of op zijn minst aandoenlijk mag zijn. Bennent speelt Oskar niet lief of leuk, die uitweg was hem niet gegund. Hij houdt hem stationair dreigend. Oskars hoekige, door Günter Grass zelf voor het filmscenario geschreven, oneliners zijn kenmerkend. David Bennent smijt ze ons in het gezicht – dat wordt meteen een smoel dat een klap incasseert.

Dankzij Bennents lichaamstaal, zijn dreigstem en zijn cynische oogopslag wordt Oskar een dubbelzinnig personage. Waarom weigert hij eigenlijk te groeien? Als dat is omdat hij niet volwassen wil worden dan is hij een Peter Pan, die andere mythische jongen die weigerde te groeien. Maar Oskar verlangt niet naar Peter Pans Neverland. Ook al blijft hij klein, hij wordt wel ouder en volwassen, alleen doet hij dat op zijn eigen manier. Het lijkt erop dat hij zich door klein te blijven verzet tegen het idee dat iemand kruidenier zou kunnen zijn, zoals zijn vader. Of nee, die man kan zijn vader niet zijn, zijn vader is natuurlijk de minnaar van zijn moeder, de dromer, de idealist, de romanticus. Nu dan, Oskar groeit ook niet uit protest tegen hun hypocrisie. En vooruit, ook uit weerzin tegen Duitsland dat zich schaart achter Hitlers hakenkruisen. Tegen de Duitsers die het portret van Beethoven hebben vervangen door dat van Hitler. De wereld is slecht, Oskar pikt dat niet. Die interpretatie is verheffend en wel zo comfortabel.

Maar klopt het wel? Is Oskar echt een morele held die zich liever van de trap stort dan op te groeien, en deel te nemen aan het egoïsme van de volwassenen die hem omringen, aan de corruptie van het fascisme, aan de onmenselijkheid van het nazisme? Oskars uiterlijk is bedrieglijk. Kijk er doorheen en je beseft dat een kind met een blikken trommel leuk kan zijn, terwijl een kleine volwassene met dezelfde blikken trommel vervaarlijk is. Misschien is zijn letterlijke duik van de keldertrap ook een figuurlijke duik. Misschien duikt hij weg. Misschien houdt hij op met groeien omdat hij zijn verantwoordelijkheden wil ontlopen. Als je groot bent kun je vechten, een kind hoeft dat niet, en dat is wel zo gemakkelijk.

Bekijk het zo en je ontdekt in Oskar een metafoor voor het Duitse volk in de jaren dertig van de vorige eeuw, want dat deed immers niet anders. Het waren volwassenen die hadden besloten om kind te blijven. Schlöndorff illustreert dat met beelden. Grote mannen lopen in korte broek of in een ander uniform alsof het verkleedkleren zijn, en alle mensen leven alsof ze deelnemen aan een streng gereguleerd gezelschapsspel. De uitkomst is gruwelijk maar daar zien ze aan voorbij. Net als kinderen. Kinderen zijn geneigd tot vergaande gehoorzaamheid aan cynische leiders en onbesuisd in hun wreedheid, naar het schijnt omdat hun geweten nog niet ontwikkeld is. Niet waar? Denk aan Pol Pots van kinderen vergeven ‘killing fields’ in Cambodja, aan de kindsoldaten in Afrika, aan onbesuisde gewapende winkelovervallen, gepleegd door 12- tot 15-jarigen.

Oskar groeit op en vindt emplooi in een van de propagandacompagnieën. Daartoe krijgt hij een SS-uniform aangemeten, om in op te treden. En dan zie je het: een nazi’tje in uniformpje is ook een nazi.

Volgende maand: ‘Il Gartopardo’ van Giuseppe Tomasi di Lampedusa verfilmt door Luchino Visconti.

Verfilmde literatuurreeks: De negen boeken en films die Joyce Roodnat in M bespreekt in de reeks verfilmde literatuur van NRC Handelsblad is verkrijgbaar in de webshop van de krant (www.nrc.nl/extra). U betaalt slechts 21,95 euro per deel (boek en film) als u de gehele reeks bestelt. Losse afleveringen (boek en film) kunt u bestellen voor 27,95 euro, of verkrijgbaar in de betere boekhandel. Meer informatie vindt u op nrc.nl/extra en in de advertentie elders in de krant.

Reeds ter gelegenheid van mijn eerste trommeldag was het mij gelukt de wereld een teken te geven [...]. Voortaan luidde het: op zijn derde verjaardag viel Oskar van de keldertrap en alles bleef aan hem heel, alleen groeien wilde hij sindsdien niet meer. [uit: Günter Grass De blikken trommel, vertaling Koos Schuur]