Van abel spel tot Achterhuis

Duizend sleutelteksten uit de Nederlandse cultuurgeschiedenis op internet. „De Basisbibliotheek is de etalage van het warenhuis van de Nederlandse cultuur,” zegt hoofdredacteur Van Stipriaan.

René van Stipriaan: ‘Al op de Filippijnen wordt alles drie keer bekeken’ Foto Freddy Rikken Foto Freddy Rikken 31/3/2008 Rene van Stipriaan Amsterdam Rikken, Freddy

Acht man personeel in Leiden, tegen de twintig studenten, en niet te vergeten zo’n vijftig mannen en vrouwen op de Filippijnen hebben ervoor gezorgd dat er geen excuus meer is voor het niet kennen van het eigen verleden. Duizend sleutelteksten uit de Nederlandse en Vlaamse cultuurgeschiedenis, verenigd in de Basisbibliotheek, staan binnenkort integraal op internet, vrij te raadplegen voor iedereen. „Tussen de zevenhonderdduizend en de miljoen pagina’s,” schat hoofdredacteur René van Stipriaan.

„De Basisbibliotheek is het topje van de ijsberg, de etalage van het gigantische warenhuis van de Nederlandse cultuurhistorie,” zegt Van Stipriaan in zijn huiskamer in het hart van Amsterdam. „In die etalage kun je zien wat er te krijgen is; bijna alles, van schoenen tot bonbons. Je vindt er Van den vos Reynaerde, de Statenvertaling, Max Havelaar natuurlijk. Maar nu ook Nicolaes Witsen, Jan Foudraine, Pim Fortuyn en Puk en Muk.”

Het warenhuis zelf is de DBNL, de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. In de bronstijd van internet, begin jaren negentig, ontstond bij liefhebbers en wetenschappers („vooral bij liefhebbers, dertigers die overweg konden met het nieuwe internet”) het animo om klassieke Nederlandse teksten te digitaliseren. Eind ‘98 nam de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde het idee over. Omdat hij bij uitgeverijen Prometheus/Bert Bakker en Athenaeum-Polak & Van Gennep succesvol historische reeksen had uitgebracht, werd Van Stipriaan samen met Cees Klapwijk van de Leidse universiteitsbibliotheek gevraagd de DBNL op poten te zetten. Voor hen moest het project aan twee voorwaarden voldoen: „We wilden dat de teksten heel goed gedigitaliseerd zouden worden, met een minimale foutenmarge, en daardoor goed doorzoekbaar. Ook moesten de titels uitnodigend worden gepresenteerd, zodat je als het ware langs de ruggen van een virtuele boekenkast zou kunnen lopen. Een digitale bibliotheek moest geen donkere spelonk, geen amorfe vergaarbak van teksten worden. Inspiratie vond ik bij het Perseus-project [de digitale bibliotheek van de Amerikaanse Tufts University voor Griekse en Latijnse teksten en naslagwerken, MS] en naderhand ook bij de makelaarssite Funda. Daar zijn de navigatiemogelijkheden uitstekend.”

In 2000 ging de DBNL de lucht in, vooral gericht op Nederlandse taal- en letterkunde en secundaire literatuur „het terrein van de klassieke neerlandistiek.” De Basisbibliotheek van uiteindelijk duizend werken – in 2006 mogelijk gemaakt door een financiële injectie van 0,8 miljoen euro uit het budget van OCW – verschilt daarvan, aldus Van Stipriaan: „Het zijn ook teksten uit de sociologie, de politiek, zelfs uit de natuurwetenschap. Het gezelschap van wetenschappers dat onder leiding van Paul Schnabel de teksten selecteerde , heeft gezocht naar werken die het vakgebied in kwestie overstegen, die iets teweeg brachten. Dat sluit aan bij de ontwikkeling die de Neerlandistiek de laatste jaren heeft doorgemaakt – richting cultuurgeschiedenis. De maatschappelijke en historische context is belangrijker geworden, de schone letteren worden niet langer meer zo sterk geïsoleerd gezien.”

Maar hoe voorkom je met een dergelijke uitbreiding dat de DBNL alsnog een amorfe letterberg wordt?

„Door gericht redactie te voeren. We mikken teksten er niet zomaar in, we classificeren zorgvuldig naar auteur, tijdvak, genre. We bieden veel aanvullende informatie en zorgen voor een extreem lage foutenmarge om lege hits te voorkomen. Zo kunnen mensen makkelijk hun weg zoeken.”

Toch ontbreken er teksten waarvan u de rechten niet kreeg.

„Heel veel is wél gelukt; twee weken geleden kregen we uit Zwitserland toestemming, de eerste druk van Het Achterhuis te publiceren. Dat uitgevers boeken die in druk nog goed verkopen, niet op internet willen zien, vind ik begrijpelijk. Je moet niet overvragen. De avonden van Reve, Nooit meer slapen van Hermans, Tirza van Grunberg, dat krijg je er niet op. Anderzijds moeten uitgevers zich realiseren dat het andersom ook werkt: dat mensen een boek op het net vinden, erin lezen en dan besluiten: dat wil ik kopen.”

Duizend sleutelteksten, maar geen ‘De Avonden’ of ‘Nooit meer slapen’. Is dat houdbaar?

„Reve ontbreekt van oudsher in bijna alle poëziebloemlezingen; contact met de erven is moeizaam. En van Hermans hebben we behalve zijn studie over erosie en De laatste resten tropisch Nederland ook De raadselachtige Multatuli, een mooi begin van de herleving van Nederlands biografische traditie en een indicatie van de verwantschap tussen Multatuli en Hermans.”

Een digitale bibliotheek wordt nooit gehinderd door overvolle kasten of de muren van een pand. Van Stipriaan houdt nu de Basisbibliotheek bijna klaar is dan ook niet op met dromen. „Het uiteindelijke streven is, Basisbiliotheek en DBNL in te bedden in een uitdijend web van data. Zodat je, als je bij ons brieven en dagboeken opvraagt uit een bepaalde periode, met wat muisklikken de kranten uit die tijd erbij kunt hebben. Of dat het materiaal van het Woordenboek der Nederlandse Taal geïntegreerd is in de DBNL, zodat je, als je op een woord klikt, de betekenis ervan ziet.’’

Wie zijn de gebruikers van de DBNL?

„We trekken 17 à 18.000 bezoekers per dag. Voor veel studenten Neerlandistiek is de DBNL een soort keurmerk, hoor ik van collega’s’, ze erkennen een tekst pas als hij erop staat. Verder: de academische wereld, journalistiek, uitgevers en het onderwijs in binnen- en het buitenland – de universitaire collecties Nederlands in het buitenland zijn veelal ondermaats. Die groepen vormen samen ongeveer de helft van onze bezoekers. De andere helft is het publiek dat een spreekwoord zoekt, of een opa had die schreef. Er wordt flink met ons gecorrespondeerd. Dan laat de DBNL opa bijvoorbeeld geboren worden, maar niet overlijden omdat we dat feit niet hebben. Een achterkleinzoon vult dat dan aan.”

Hoe gaat het digitaliseren in zijn werk?

„We kijken naar wat een tekst nodig heeft, welke meta-data erbij moeten om de tekst goed traceerbaar te maken. Een tekst wordt eerst uitgebreid gecodeerd door studenten – waar eindigen de hoofdstukken, waar moet een hyperlink komen? Dan sturen we het spul weg naar de Filippijnen, waar de tekst wordt gescand en soms ook ingetikt. Sommige teksten laten we in Nederland doen, afhankelijk van de tekstsoort en het lettertype; helemaal varen op scannen is, gezien de te verwachten leesfouten en de kwetsbaarheid en doorschijnendheid van veel oud papier, maar heel zelden mogelijk. Voor ons is structurering en verantwoording heel belangrijk. Het moeilijkst is het terugdringen van de foutenmarge, van zeg 95, naar 99,9 procent correcte tekst. Het is intens frustrerend als je foute treffers krijgt of dingen mist. Alleen al op de Filippijnen wordt alles drie keer bekeken. Terug in Nederland wordt alles nog een keer gecheckt, komt er een titelpagina bij en een verantwoording.”

Hebben de Filippino’s enig idee van wat ze intikken?

„Nee. Heel soms, als er een paar woorden Engels zijn of een vies plaatje, krijgen we wel eens een reactie. Ik geef toe, het heeft iets krankzinnigs om mensen in Manila bezig te zien met Aloude en hedendaegsche scheepsbouw van Nicolaas Witsen.”

    • Maartje Somers