Roemruchte leider der vechthanen

Hij tartte het Nederlandse gezag op Java en leeft er voort als volksheld. Een levensbeschrijving vol diepte en kleur plaatst deze prins in zijn historische context.

Prins Diponegoro (l.) en maarschalk Herman Willem Daendels, met de spuwende vulkaan Merapi op Midden-Java, geschilderd door Radèn Sarif Salèh (1865) Uit besproken boek
Prins Diponegoro (l.) en maarschalk Herman Willem Daendels, met de spuwende vulkaan Merapi op Midden-Java, geschilderd door Radèn Sarif Salèh (1865) Uit besproken boek

Peter Carey: The Power of Prophecy. Prince Dipanagara and the End of an Old Order in Java, 1785-1855. KITLV Press, 964 blz. € 49,50

Bij oudere Javanen hangt zijn beeltenis nog aan de muur, tussen wajangfiguren en de familiekris. Het zijn geïdealiseerde portretten: priemende ogen in een scherp gesneden gezicht onder een stralend witte tulband. Een profeet en bevrijder, dat zie je zo. En een Nationale Held van Indonesië.

Die heiligenplaatjes zijn vrije bewerkingen van een schets die A.J. Bik, baljuw van Batavia, in 1830 maakte van de rebelse prins. Hij was toen een gevangene van de koloniale regering en de door hem ontketende Java Oorlog was voorbij. Bik portretteerde hem met dezelfde doordringende blik, maar met wangen ingevallen door malaria, opgelopen tijdens de vlucht door toen nog dicht bebost Java. Het enige andere naar het leven gemaakte portret van de prins is een tekening uit 1807. Een artiest aan het hof tekende hem op zijn huwelijksdag in Javaanse dracht.

De twee portretten tonen Pangeran (prins) Diponegoro (1785-1855), telg uit het sultansgeslacht van Yogyakarta, vóór en na zijn mislukte revolte tegen het Nederlandse gezag op Java. Behalve die twee tekeningen en de Babad Dipanagara, de memoires in versvorm van de verbannen prins, zijn alle beelden van hem kopieën van kopieën en zijn alle bronnen over zijn leven verhalen van horen zeggen. Het manuscript van zijn herinneringen ligt te verkruimelen in de Nationale Bibliotheek en de enige academische editie van het handschrift dateert van 1909. Afgezien van een enkel populair boekje ontbrak tot nu toe een biografie.

En dan is er nu het boek van Peter Carey: The Power of Prophecy. Dit levenswerk van de Britse historicus en Javakenner is de definitieve biografie van Diponegoro. Het boek is indrukwekkend gedocumenteerd en zeer leesbaar. Carey kent alle bronnen – Nederlandse, Engelse, Javaanse en Maleise – en hij heeft de afgelopen dertig jaar gesproken met alle javanologen van naam. Toch heeft hij al die feiten en inzichten zó gerangschikt dat de lezer het gevoel heeft te rijden op Daendels’ Grote Postweg. En op die, ten koste van 15.000 dode Javanen aangelegde heirbaan van Batavia naar Surabaya is verdwalen onmogelijk.

De titel en ondertitel van het boek staan voor evenwicht tussen biografie en geschiedenis, tussen persoonlijke drijfveren en de druk der omstandigheden. De profetie uit de titel verwijst naar het wereldbeeld van de held. De ondertitel – ‘het einde van een oude orde op Java’ – laat zien dat Diponegoro zich bewoog op het breukvlak van twee tijdperken en dat hij met zijn revolte bijdroeg aan de ondergang van Java’s prekoloniale orde, een wereld die hij juist wilde redden.

Carey is even goed thuis in de koloniale archieven van Nederland en Groot-Brittannië als in de babad (kronieken) van Java en dat geeft zijn biografie diepte en kleur. Dat Diponegoro zich al jong geroepen voelde tot grote dingen lag, behalve aan zijn karakter, aan oud-Javaanse opvattingen over de geschiedenis. Die zou worden gestuurd door onontkoombare cycli van voorspoed en verval, waarvan het verloop werd geopenbaard in profetieën. Een voorspelling die wordt toegeschreven aan de 12de-eeuwse koning Jayabaya luidde dat de Ratu Adil (Rechtvaardige Vorst), een mythische heilbrenger, zou verschijnen in het jaar 1785. In dat jaar werd Diponegoro geboren als zoon van de Yogyase kroonprins en een bijvrouw. Zijn overgrootvader Mangkubumi, de eerste sultan van Yogyakarta, voorspelde dat deze achterkleinzoon de Hollanders zwaardere verliezen zou toebrengen dan hij had gedaan in de Javaanse successieoorlogen.

De eerste inbreuken op de oude orde van Java waren gemaakt door de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Die liet in 1619 de Soendanese havenstad Jayakarta platbranden en er een nieuwe bouwen die Batavia werd gedoopt. De Compagnie vergrootte haar grondgebied, eerst in de ‘ommelanden’ van Batavia, toen verder Java in. Het eiland werd grotendeels beheerst door het islamitische koninkrijk Mataram. In de loop van de 18de eeuw mengde de VOC zich daar in drie opvolgingsoorlogen. Van op de troon getilde pretendenten bedong ze steeds meer rijst, goud en grondgebied. De derde Javaanse successieoorlog eindigde in 1755 met de opdeling van resterend Mataram in twee koninkrijkjes: Surakarta en Yogyakarta. Later zouden daar nog twee prinsdommen van worden afgesplitst. Bespeelbare rivalen.

Nieuwe leest

De Compagnie ontwikkelde zich van een handelsonderneming tot een pseudostaat met een aanzienlijk grondgebied en gestaag oplopende bestuurskosten. In 1796, een jaar na de Franse inval in de Republiek der Verenigde Nederlanden, werd de VOC failliet verklaard. De boedel verviel aan de staat, die op een nieuwe leest werd geschoeid door Fransgezinde Patriotten. De Indische nalatenschap werd achtereenvolgens beheerd door de Bataafse Republiek (1795-1806), het Koninkrijk Holland (1806-1810) en een Brits tussenbestuur (1811-1816). In deze periode werden de grondslagen gelegd voor een moderne koloniale staat die was gebaseerd op anti-feodale Verlichtingsideeën.

In 1805 maakte prins Diponegoro een zwerftocht naar de zuidkust van Java. Daar hoorde hij ’s nachts een stem die zei: ‘In drie jaar begint de ondergang van het land Java.’ En zie, in 1808 arriveerde Herman Willem Daendels, maarschalk in Franse dienst, in Batavia. Carey schetst de verwarring van de gezanten uit de Vorstenlanden toen een officier Daendels’ introductierede voorlas en sprak van een ‘postfeodaal Java’ en van ‘het welzijn en geluk van uw onderdanen’.

In voormalig VOC-gebied verloren de regenten, ooit leenheren van de vorst, hun recht op leveranties en herendiensten van de boeren. Ze konden hun ambt niet meer erven en werden voortaan benoemd. De sultan van Yogya, Diponegoro’s grootvader, wees inmenging van Batavia in de Vorstenlanden resoluut van de hand en dacht garen te spinnen bij de oorlog in Europa. Maar het militaire pleit op Java was snel beslist en in 1812 werd het sultanspaleis bezet en geplunderd door de Britten. Onder Brits tussenbestuur werd Java geopend voor de wereldmarkt en kwamen er Europese investeerders. Thomas Stamford Raffles, luitenant-gouverneur onder de Britse kroon, was het met Daendels eens: geen onderhandelingen meer met feodale heersers, maar rechtstreeks bestuur door bezoldigde ambtenaren.

In 1816 landde er een Nederlandse gouverneur-generaal in Batavia, baron Van der Capellen. Deze hervormer koos voor het bestuur geen onderschikkend, maar een nevenschikkend model: de Nederlandse resident was de ‘oudere broer’, de Javaanse regent de ‘jongere broer’. Dit was louter lippendienst aan de Javaanse adel; het nieuwe Binnenlands Bestuur was centralistisch en bureaucratisch. In 1823 werd het Javaanse edelen verboden nog langer domeinen te verhuren aan Europese en Chinese planters. De adel zat aan de grond. Het stelsel van landverhuur had een zware wissel getrokken op de boeren, die waren gedwongen te werken op de plantages. Het rijstareaal was geslonken en de bevolkingsdruk liep op. Een explosief mengsel van adellijke onvrede en boerenwanhoop kwam in 1825 tot uitbarsting.

De enige karakterschets van de hoofdrolspeler in het drama dat volgde, is van luitenant Julius Heinrich Knoerle, de Duitse officier die Diponegoro in 1830 begeleidde naar zijn ballingsoord. Hij rept van ‘gebrekkige scholing’ en ‘ongrammaticaal taalgebruik’ (de prins gaf de voorkeur aan Javaans boven Maleis), maar ook van een ‘krachtige, vitale persoonlijkheid’, een ‘rijkdom aan heldere ideeën’, een ‘uitstekend geheugen’ en een ‘intuïtieve mensenkennis’.

Charisma

De prins had een bijzonder charisma. Hij stond bekend als een liefhebber van vrouwen en viel zeer bij hen in de smaak. Zijn volgelingen beschouwden hem als een man met bijzondere spirituele gaven en dachten dat hij onkwetsbaar was voor kogels. Hij was gevreesd om zijn vermogen verraders en wie zich niet aan hun beloften hielden te vervloeken.

Diponegoro was geen geloofszuiveraar, zoals de wahabieten die het Arabische schiereiland veroverden. Hij was een islamitisch mysticus, die geen conflict zag tussen de geestenwereld van Java en het lidmaatschap van een internationale geloofsgemeenschap met centra in Mekka en Istanboel. Hij voelde zich door God geroepen de strijd aan te binden met de Nederlandse kafir (ongelovigen), want die hadden de oude orde verstoord.

Lont in het kruitvat was een weg die het gouvernement aanlegde door Diponegoro’s domeinen zonder de prins daarin te kennen. Hij kwam in opstand en mat zich deze titels aan: Abdulhamid (naar de Ottomaanse sultan), Erucakra (de oude hindoetitel voor de Rechtvaardige Vorst) en Plaatsvervanger van de Profeet op Java.

De meeste Javaanse edelen en een groot deel van de boeren volgden hem. Het was de eerste breed gedragen volksopstand waarmee Nederland op Java te maken kreeg. Diponegoro’s onderbevelhebbers in de Java Oorlog waren zowel in de krijgskunst geoefende edelen, islamitische schriftgeleerden als roemruchte jago (vechthanen; lees: vechtersbazen, bendeleiders). Na vijf uitputtende jaren (1825-1830) boekte het koloniale gezag een pyrrusoverwinning. De Nederlanders verloren 8.000 van hun eigen manschappen en 7.000 man hulptroepen uit de archipel. Een kwart van het bebouwde areaal van Java leed schade en zo’n 200.000 Javanen vonden de dood. Toen de kruitdamp optrok, controleerden de Nederlanders voor het eerst het hele eiland.

Diponegoro werd met een list gevangen en verbannen naar Sulawesi. Eerst naar Makassar en toen naar Manado, waar hij zijn memoires schreef en in 1855 stierf. Intussen was de gouvernementskas leeg. In Batavia dacht men: als we de politiek nog langer overlaten aan deze vorsten, wordt het straks weer oorlog. Daarom werden de sultan van Yogyakarta, de susuhunan van Surakarta en de twee prinsen, Mangkunagoro en Paku Alam, onder curatele gesteld. Ze bleven aan en kregen alle status die ze wensten, maar ze hadden geen macht meer. De Javaanse adel koos eieren voor zijn geld en kreeg een plaats in de nieuwe bedeling. De top van de bestuurlijke piramide was niet langer een vorst, maar de gouverneur-generaal in Batavia.