Er is geen granieten bestand

De prestaties op het gebied van bijstand verschillen sterk tussen gemeentes. Maar de methode om die prestaties te meten ook.

Is het de „Wet water en brood” of „een van de beste wetten die het tweede kabinet-Balkenende bracht”? Gistermiddag besprak de Tweede Kamer de Wet werk en bijstand, die gemeenten verantwoordelijk stelt voor het aan het werk helpen van hun bijstandsgerechtigden.

De oppositie moest toegeven dat de in 2004 ingevoerde wet „een succes” is. Tegelijk vond GroenLinks dat gemeenten de moeilijke groep „aan zijn lot overlaten”. De SP vond de verschillende regels die gemeenten hanteren onrechtvaardig. „In de ene gemeente krijg je zo 400 euro meer dan in de andere.” De partij had nog een andere bijnaam voor de WWB: „De wet willekeur in de bijstand.”

Willekeurig of niet, de prestaties van gemeenten liegen er niet om. Deze week maakte Divosa, de koepelorganisatie voor sociale diensten, bekend dat de grote gemeenten het percentage bijstandsgerechtigden in 2007 met 9 procent naar beneden brachten.

Niet elke gemeente haalt die score. Volgens sociaal econoom Leo Aarts, die onderzoek deed naar de dalingen in de bijstand, „is het verschrikkelijk wat je in sommige gemeenten tegenkomt”. Ambtenaren zijn soms meer bezig elkaar het leven zuur te maken dan mensen aan het werk te helpen. Daar hebben de succesgemeenten geen last van: „We hebben een hoop nieuwe mensen aangetrokken”, zei Marco Florijn van de gemeente Leeuwarden eerder deze week op een congres van Divosa.

Daar bleek dat de basis voor succes ligt in het grondig uitpluizen van het klantenbestand en het opnieuw bekijken van de mogelijkheden van langdurig werklozen. „Het granieten bestand bestaat niet”, aldus de vertegenwoordiger van de gemeente Vlaardingen. „Wij hebben een cultuuromslag gemaakt. Nu gaat het echt om mensen aan de slag helpen.” Die aanpak ontbreekt bij sommige andere gemeenten, ziet ook Divosa-voorzitter Tof Thissen. „Ik ken voorbeelden van vrouwen die achttien jaar in de bijstand zitten. In die tijd hebben ze vijf keer een gesprek gehad. Dat kan niet.”

De gemeenten die slecht scoren, verdedigen zich door met externe factoren te schermen. „Op een bestand van 500 klanten telt een toename meteen zwaar mee in het percentage”, aldus de vertegenwoordiger van de gemeente Katwijk, waar als enige gemeente het aantal bijstandsgerechtigden toenam. De woordvoerder van de gemeente Sittard-Geleen: „De arbeidsmarkt is nu eenmaal erg slecht in onze regio.”

De uitschieters naar boven zijn vertekenend. Dat geeft de gemeente Lelystad, die het hoogste dalingspercentage scoorde, zelf toe: „Dat lijstje is gemanipuleerd.” Het uitstroompercentage van Lelystad is zo hoog doordat de bijstandsgerechtigden in een andere ‘poule’ terechtkomen. Gemiddeld stroomt in Nederland slechts 30 procent naar een echte baan uit, de rest komt in een andere uitkering of gesubsidieerd werk terecht.

Voordelig aan die verschuiving is niet alleen de goede sier die de gemeente maakt met de dalingen van de bijstandsgetallen; gemeenten houden er geld aan over. Sinds de invoering van de Wet werk en bijstand in 2004 zijn gemeenten zelf financieel verantwoordelijk voor de bijstand. Het geld dat ze overhouden, mogen ze van de overheid houden en naar eigen inzicht besteden.

De financiële prikkel zorgde voor het succes van de wet, maar werkt in het nadeel van kansarmen. Gemeenten doen aan cherry picking, ze helpen alleen mensen die gemakkelijk aan werk komen. Een kwart van de bijstandsgerechtigden die korter dan een jaar in de bijstand zitten, krijgt hulp van de gemeente. Dat is het dubbele van het aantal werklozen dat al langer dan een jaar in de bijstand zit.

Het kabinet heeft als doelstelling dat voor 2011 het aantal bijstandsgerechtigden met 75.000 is gedaald. „We moeten alle registers opentrekken om iedereen aan de slag te helpen”, aldus Thissen van Divosa. Hij waarschuwde dat het kabinet nu, in hoogconjunctuur, niet moet roepen dat iedereen nodig is: „Want wie moet eruit als het straks slecht gaat? Die deeltijdmoeder of de 45-plusser?”