Inflatie bedreigt Chinese beurs

Net als in de rest van de wereld zijn in China de beurskoersen gedaald sinds de kredietcrisis. Maar de belangrijkste oorzaak van die daling zit ergens anders.

De 40 procent waardedaling van de beurs van Shanghai sinds oktober vorig jaar is netjes samengevallen met de onrust op de mondiale financiële markten. Voor een regering die bevreesd was voor wat er zou gebeuren als de 100 miljoen aandeelhouders in het land hun portefeuilles plotseling zouden zien kelderen, is dit waarschijnlijk een opluchting geweest. Peking kan nu immers al die krakkemikkige hypotheken in Florida de schuld geven. Maar de reactie van de overheid op de stijgende inflatie zou beleggers toch zorgen moeten baren.

Dat wil niet zeggen dat de kredietcrisis niet heeft bijgedragen aan de inzinking van de Chinese aandelenmarkt. De Chinese beleggers lezen dezelfde krantenkoppen als de rest van de wereld. En zij weten dat er een beroep is gedaan op het Chinese staatsbeleggingsfonds om noodlijdende financiële instellingen op Wall Street te hulp te schieten.

Toch is het mondiale marktsentiment niet de enige werkzame kracht. China beperkt de instroom van buitenlands kapitaal naar de beurzen van Shanghai en Shenzhen. Daarom is het nogal vergezocht om de recente afkalving van de koersen uitsluitend te wijten aan hedgefondsen en internationale beleggers die hun bezit aan Chinese aandelen zouden dumpen, zoals de gouverneur van de Chinese volksbank Zhou Xiaochuan vorige maand deed.

Het eigen beleid van de Chinese overheid heeft de zeepbel beslist groter helpen worden. De beursindex van Shanghai is in twee jaar tijd met meer dan 400 procent gestegen. Afgezien van het beperken van de buitenlandse beleggingen heeft de regering ook een limiet gesteld aan de hoeveelheid binnenlands kapitaal die in internationale aandelen mag worden gestoken. Bovendien heeft het ontbreken van winstbelastingen en successierechten het stijgen van de beurskoersen aantoonbaar helpen bevorderen.

Het is geen verrassing dat het leeglopen van de zeepbel het aanvankelijke enthousiasme over de Chinese markt heeft getemperd. Maar er ligt nog een ernstiger dreiging op de loer, in de vorm van de stijgende inflatie. Vorige maand waren de producentenprijzen 6,6 procent hoger dan een jaar geleden. Chinese bedrijven zullen deze hogere kosten aan hun klanten moeten doorberekenen als zij hun winstmarges intact willen houden. Dat is een zware opgave.

De regering in Peking is bezorgd over de stijging van de consumentenprijzen, die in februari een tempo van 9 procent op jaarbasis bereikte. Dat lijkt wellicht niet al te gevaarlijk, nu de economie nog met 11 procent groeit. Maar omdat het gemiddelde Chinese huishouden eenderde of meer van zijn inkomsten aan voedsel uitgeeft, bestaat de zorg dat de stijgende consumentenprijzen tot sociale onrust zullen leiden. De protesten in Tibet zouden een voorbode kunnen zijn van wat elders zou kunnen gebeuren.

Nu de Olympische Spelen naar Peking komen en de wereld toekijkt, zou de regering extremere maatregelen kunnen overwegen ter bestrijding van de inflatie. Zij heeft de banken gedwongen meer reserves opzij te zetten, waardoor zij hoopt de kredietverstrekking te kunnen beperken. Maar dat heeft zij al eerder gedaan, tot nu toe met weinig succes.

Tot de andere opties behoren striktere prijscontroles. Die zouden de voedselprijzen in toom kunnen houden, maar de Amerikaanse president Nixon heeft al in 1971 geleerd dat dit soort controles de goederen vaak alleen maar eenvoudigweg uit de schappen laat verdwijnen. De bedrijven zouden hoe dan ook de rekening gepresenteerd krijgen, doordat zij hun hogere kosten niet langer meer op de consument kunnen verhalen.

Radicalere maatsregelen zouden een snellere opwaardering van de Chinese munt kunnen omvatten. Dat zou helpen de inflatie in te dammen door geïmporteerde goederen – zoals energie, grondstoffen, graan en vlees – goedkoper te maken. Maar de exportsector zou er zwaar door getroffen worden. Hogere dollarprijzen voor hun goederen, precies op het moment dat grote afnemers als Wal-Mart zien dat hun klanten de broekriem aanhalen, zouden ertoe kunnen leiden dat veel Chinese fabrieken de deuren moeten sluiten.

Er zijn uiteraard ook bedrijven in China waarvan de activiteiten bestand zijn tegen een hogere inflatie. Zakenbank Morgan Stanley wijst op luchthavens, telecombedrijf China Mobile en mijnbouwer China Shenhua Energy als mogelijke veilige havens. En een jaar of twee van lagere winsten is misschien niet veel, als de regering erdoor in staat wordt gesteld oproer onder de Chinese bevolking van 1,3 miljard mensen te voorkomen. Maar Chinese beleggers die denken dat hun aandelenportefeuilles door niets anders dan de kredietcrisis zijn getroffen, moeten zich opmaken voor slechtere tijden.

© Breaking Views. Vertaling Menno Grootveld