Liefhebben, kun je dat leren?

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma.

Vandaag: hoe denken wij over de liefde?

Liefdesrelaties en huwelijken zijn een steeds korter leven beschoren. Waren er in Nederland in de jaren vijftig en zestig gemiddeld tussen de 6.000 en 7.000 echtscheidingen per jaar, nu ligt dat gemiddelde rond de 30.000. Het aantal scheidingen is de afgelopen jaren wel licht gedaald, maar het aantal huwelijken nog sterker: trouwden in 1970 nog ruim 120.000 echtparen, in 2006 waren dat er 72.000. Vier decennia geleden ging slechts een op de tien stelletjes weer uit elkaar. Nu wordt 33,8 procent van alle ja-woorden binnen vijftien jaar alweer ontbonden. Het is dan ook niet vreemd dat Nederland dit jaar een primeur beleefde met de eerste, officiële echtscheidingsbeurs – een kwestie van marktwerking.

Nu zijn er talloze, welbekende verklaringen voor deze trend. De duidelijkste is wel dat tot 1971 scheiden in Nederland nog uiterst moeilijk was. Een rechter ging alleen tot ontbinding van een huwelijk over als werd voldaan aan één van in totaal vier gronden: overspel, faillissement, veroordeling tot gevangenisstraf van meer dan vier jaar of mishandeling. Na 1971 werd wettelijk vastgelegd dat ‘duurzame ontwrichting’ van de relatie voldoende was – een grond die zeer ruim te interpreteren valt. Andere oorzaken zijn de toegenomen economische onafhankelijkheid van vrouwen, de hogere prioriteit van zelfontplooiing boven gezinsvorming en de ontkerkelijking. In sterk religieuze landen ligt het aantal scheidingen beduidend lager dan in seculiere samenlevingen – met uitzondering van de nog altijd zeer christelijke Verenigde Staten, waar het aantal scheidingen procentueel zelfs hoger ligt dan in Nederland.

Maar zijn deze sociologische en economische factoren de enige oorzaken? Wie de wereldwijde bestseller The Art of Loving (1956) – in het Nederlands: Liefhebben. Een kunst, een kunde – van de Duits-Amerikaanse filosoof Erich Fromm (1900-1980) heeft gelezen, denkt daar misschien anders over. Fromm constateert namelijk dat in de moderne, westerse wereld een kijk op liefde (en liefdesrelaties) is ontstaan die de duurzaamheid ervan niet ten goede is gekomen. Zijn centrale stelling luidt dat de meeste mensen een ‘gebrekkige’ kijk op liefde hebben; we beschouwen liefde als een „prettige sensatie die ons alleen maar toevallig ten deel valt als we geluk hebben”. Maar Fromm denkt daar anders over: hij noemt liefde namelijk „een kunde” die men kan ontwikkelen.

Liefde als iets dat je kunt leren – die opvatting is in de westerse wereld geen gemeengoed. Liefde wordt eerder gezien als iets dat je ‘overkomt’. Partners gaan dan ook niet zelden uit elkaar, omdat de liefde ‘er niet meer was’. Volgens Fromm miskent dit de ware aard van liefde: het is niet iets wat ‘aanwezig’ is of niet, maar een talent dat „geoefend” moet worden.

Fromm wijst drie tekortkomingen in onze denkwijze over liefde aan. Ten eerste, zegt hij, stellen de meeste mensen zich vóór alles de vraag „hoe zij erin kunnen slagen door anderen bemind te worden, in plaats van hoe zij hun eigen vermogen tot liefhebben kunnen ontwikkelen.” Nu is ontwikkeling van het eigen ‘ik’ zeer belangrijk in onze geïndividualiseerde samenleving. Maar die zelfontplooiing richt zich meestal, zoals Fromm zegt, niet op de ontwikkeling van het vermogen tot liefhebben van anderen – integendeel, zij is er juist op gericht dóór anderen bemind te worden: mannen proberen macht, status en geld te verwerven, en vrouwen willen jong, aantrekkelijk en vruchtbaar zijn om hun kansen op de ‘liefdesmarkt’ te vergroten. Want voor een relatie moet je tegenwoordig zélf zorgen. Was het in Victoriaanse tijden nog een „maatschappelijke overweging”, zegt Fromm, nu is een relatie een persoonlijke keuze. En dat heeft „het belang van het object benadrukt, waardoor liefhebben als functie aan betekenis heeft ingeboet”.

Nauw verwant hieraan is de tweede reden waarom we denken dat we liefhebben niet kunnen leren: „de cultuur van het consumentisme”. We bieden onszelf aan als ‘goede koop’, stelt Fromm, in de hoop daarmee een ‘aantrekkelijke ruil’ te bewerkstelligen. Wat men onder ‘aantrekkelijk’ verstaat, wordt – zoals het de vrije markt betaamt – bepaald door de heersende mode. Zo was in de jaren twintig het pittige type vrouw dat flirtte, rookte en dronk in trek; in de jaren vijftig werd huiselijkheid en zedigheid juist aantrekkelijk gevonden en tegenwoordig is het vooral belangrijk dat een vrouw zelfstandig en geëmancipeerd is. Voor mannen geldt dat ze eerst agressief en eerzuchtig moesten zijn en nu juist sociaalvoelend en verdraagzaam. Deze modegevoelige, consumentistische kijk op de liefde, komt de duurzaamheid van relaties niet ten goede. Immers, als er een ‘beter model’ beschikbaar is, waarom zou men dan bij het ‘oude model’ blijven?

De derde reden dat we liefhebben niet als kunde zien, is volgens Fromm dat wij steeds minder een onderscheid maken tussen de „aanvankelijke verliefdheid” (falling in love) en „de permanente toestand van in liefde samenleven” (being in love). Eigenlijk wil iedereen verliefd blijven, zoals op de allereerste dag. Maar iedereen weet ook dat die prille verliefdheid nooit lang duurt: je leert elkaar steeds beter kennen, waardoor de gevoelde intimiteit gaandeweg zijn mysterie verliest en dus afneemt. Toch blijven veel mensen krampachtig vasthouden aan dat initiële gevoel, zegt Fromm. Onterecht blijft daardoor het idee overheersen „dat niets zo gemakkelijk is als liefhebben”. Immers, in de eerste maanden is er ook niks ‘moeilijks’ aan – je ‘bent’ het gewoon.

De onjuiste aanname van mensen is, met andere woorden, dat liefde een ‘geestestoestand’ is en dat de relatie bij gratie daarvan wel zal overleven. Volgens Fromm is dat een te passieve kijk op de zaak. Liefde is namelijk geen „aandoening” maar een „activiteit”, zegt hij. De filosoof staat met dit standpunt haaks op een eeuwenlange traditie, van Plato (427-347 v. Chr.) tot Sigmund Freud (1856-1939) en later Bernard Williams (1929-2003), waarin liefde vooral werd beschouwd als een onvrijwillige passie – een gevoel waar je niks aan kan doen.

Het is een interessante constatering van Fromm dat in een tijd waarin mensen alles als beheersbaar en maakbaar beschouwen, de liefde juist iets is waarover men geen controle denkt te hebben of zelfs wil hebben. Die opvatting heeft, volgens Fromm, een groot nadelig gevolg. Liefde blijft op die manier „een uiterst individueel en perifeer verschijnsel”. Daarmee bedoelt hij: liefde wordt niet als ‘maatschappelijk streven’ gezien en heeft zich daarom nooit echt in onze samenleving geworteld. Of, zoals Fromm het formuleert, liefhebben heeft geen „maatschappelijk bestaan”. Onze samenleving is hoofdzakelijk ingericht ter bevordering van economische productie en consumptie; liefhebben is geen doel dat wij onszelf als collectief hebben gesteld. Er zijn geen scholen die het onderwijzen, noch reclames die het propageren. En dat bevreemdt Fromm enigszins. Want, „liefhebben is de diepste en meest wezenlijke behoefte van ieder mens”. Dus is het een groot gemis dat liefde geen institutionele manifestaties kent.

Dit klinkt tamelijk zweverig en zelfs prekerig. Maar de gedachte is zo vergezocht nog niet. Seks is ook een sterke, primaire behoefte en die is wél alom aanwezig in de maatschappij. Seks wordt onderwezen, geadverteerd en zelfs verkocht. Dus waarom zou dat voor liefde niet kunnen gelden? Er worden al miljoenen liedjes over gezongen en boeken beschreven. Maar bijna uitsluitend vanuit het perspectief van de individuele ervaring. Volgens Fromm zouden we de samenleving juist zo moeten inrichten dat liefhebben niet alleen een „typisch persoonlijk onderneming” blijft, maar een „algemeen maatschappelijk verschijnsel” wordt. Hoe dat er in de praktijk uit zou moeten zien, laat hij helaas in het ongewisse.

Maar ik kan me, om te beginnen, wel iets voorstellen bij een jaarlijkse liefdesbeurs.