Veranderingen

Sommige ontwikkelingen in de samenleving voltrekken zich betrekkelijk geruisloos. Een bepaalde verandering neemt geleidelijk bezit van ons doen en laten, zonder dat we er veel erg in hebben.

Ik kan me nog herinneren dat in mijn jeugd de bakker, de groenteboer en de melkboer aan huis kwamen. Dat moet ergens aan het einde van de jaren vijftig zijn opgehouden. Jammer eigenlijk, want het was reuze gemakkelijk.

Een ander, ogenschijnlijk onschuldig voorbeeld drong onlangs tot me door: de stand van de tandartsstoel. Ik heb zeker tot mijn dertigste tamelijk recht overeind in zo’n stoel gezeten, terwijl de tandarts naast mij stond (zelfs met een bloedbevlekt schort, maar dat is een traumatische jeugdervaring). Later maakte ik als patiënt door de jaren heen een proces van kanteling door, ik bevond me als het ware op een hellend vlak, waarbij ik steeds meer kwam te liggen, terwijl de tandarts een stoel(tje) nam.

De laatste jaren lig ik er volledig uitgevloerd bij, in een horizontale stand die me in het begin telkens het gevoel geeft dat ik achterover kan klappen. Als er iets finaal mis mocht gaan, kan ik met één beweging meteen in mijn doodskist worden geschoven. Deze nogal machteloos aanvoelende positie schijnt de tandarts te moeten vrijwaren van rugklachten. Dit is hem van harte gegund, maar ik vraag me wel af: waar is het eindpunt?

Zou het kunnen dat de patiënt straks aan zijn voeten aan het plafond wordt vastgebonden, terwijl de tandarts op zijn stoeltje naast het neerwaarts bungelende hoofd plaatsneemt en beveelt: „Bek open!”

Némen wij dit als patiënt, of laten wij ons monddood maken?

Ik neem alles van mijn tandarts, want ik vertrouw hem, maar bij die kiezenslager uit mijn jeugd zou ik ernstige bedenkingen hebben gekregen.

Ook in de behandelwijze en het bijbehorende jargon treden veranderingen op. Bij een recente behandeling hoorde ik de tandarts tegen zijn assistente zeggen: „Geef me de koffie-anan even”. Ze reageerde met grote kalmte, alsof het een dagelijks terugkerend verzoek betrof.

Ik kon niet vragen wat hij bedoelde, want ik lag er al bij in een houding van mortale verstarring. Bovendien kreeg ik een groenig rubberlapje in mijn mond gepropt, wat mij er niet spraakzamer op maakte. De slachtoffers van bankovervallen weten hoe dat voelt.

Ik kon alleen maar luisteren, maar al mijn pogingen de tandarts te verstaan leverden ook daarna niet meer op dan onbegrijpelijke woorden als „kofman” en „kofdam”.

„Wat zei je nu toch steeds?” vroeg ik hem later.

„Kofferdam”, zei hij. En hij legde me uit dat het de benaming voor dat rubberlapje was. Je schrijft het met een ‘c’ en het wordt ook wel ‘rubberdam’ genoemd. Het is een manier om een tand of kies te isoleren en zo te voorkomen dat er speeksel bijkomt. Een oude, omstreden techniek, maar de laatste jaren weer aan invloed winnend.

„Wist jij dat niet?” vroeg een kennis mij die ik het later vertelde. Hij had het „al zo vaak meegemaakt”. Die mensen heb je altijd.

Ik schudde het hoofd. Hoe beter je gebit, hoe minder je er vanaf weet, wilde ik nog zeggen, maar ik bedacht me bijtijds.