Wat ze van me denken

Dat je ook bestaat in andermans hoofd of gedachten, dat is vaak heel moeilijk voorstelbaar. Dat mensen over je praten en dan menen het écht over jou te hebben – hoe is het mogelijk. Wat weten ze helemaal van je? Het is al zo moeilijk om jezelf een idee te vormen van wie je bent en waar het je om gaat en wat je belangrijk vindt. Zo denk je gemakkelijk en intussen doe je toch, al dan niet expres en bewust, van alles om het beeld dat de anderen van je hebben, of waarvan je denkt dat anderen het hebben, te sturen, te achterhalen, te bevestigen of juist overhoop te halen. Ook: „het kan me niet schelen wat ze van me denken” is een reflectie op wat ze van je denken. En zelf vind je ook van alles van anderen en hun gedragingen, die aan een stuk door boekdelen spreken.

Laatst spraken we over een vriend die is gestorven en op het laatst niemand meer had willen zien. Jammer, vonden we. Blijkbaar hadden wij wel het idee ‘afscheid’ ergens in ons hoofd op een mooi bordje staan. Dachten of hoopten we dat er een moment zou zijn gekomen waarop we konden zeggen: „Dag, het was fijn je te hebben gekend. Het was fijn dat je bestond.” Is het heel belangrijk om dat gezegd te hebben, voor degene die gaat ophouden te bestaan? Ik weet het niet. Het is misschien vooral heel belangrijk voor degene die blijft voortbestaan. Degene die weg zal gaan heeft daar wel of geen behoefte aan, sommige mensen roepen al hun vrienden nog bij zich, anderen rollen zich op als een dier in een donker hoekje en laten zich verdwijnen.

Het beeld dat de levenden overhouden, moet dat zwaar wegen? Zwaarder misschien zelfs wel dan de wensen van de stervende? Die vraag werd opgeroepen door de uitspraken van de Belgische filosoof Etienne Vermeersch afgelopen zaterdag in deze krant. Hij sprak over euthanasie, die wat hem betreft ook mogelijk moest zijn als iemand niet (meer) in staat was daarom te vragen. Hij zei dat voor hem zelf gold dat als hij dingen zou gaan doen, bijvoorbeeld als gevolg van Alzheimer, die hij bij zijn volle verstand schaamtevol zou vinden, dat een vorm van lijden zou zijn. „Mijn moeder was een uiterst preutse vrouw”, vertelde hij, „maar op haar sterfbed kon het haar niets schelen dat ze half bloot was. Zij leed daar zelf niet onder, maar ons beeld van haar leed daar wel onder”.

Die laatste zin gaf te denken. ‘Ons beeld van haar’, daar ging het om, daar wilde hij zelfs graag een wetswijziging voor zien, die het mogelijk zou maken om iemand in die situatie uit haar lijden te verlossen. Want het is lijden als je leeft op een manier die je nooit gewild had, vindt Vermeersch. En waarom vindt hij dat? Met het oog op het beeld dat de anderen van je hebben. Het leven van zijn moeder is zinloos geworden wanneer zij zichzelf niet meer aan hem kan voordoen zoals ze was, en dat betekent: zoals hij haar zag.

Dat vindt familie van een stervende of dement wordende man of vrouw vaak: dat de zieke uit zijn of haar lijden geholpen moet worden omdat zij, de omstanders het niet meer kunnen aanzien. Een heel begrijpelijke wens, er is niets afschuwelijkers dan iemand van wie je houdt te zien lijden of in een ander te zien veranderen. Maar als die zelf niet lijdt, dan lijkt het toch vrij evident dat je die niet om zeep gaat brengen. Wel, zegt Vermeersch, als die persoon van tevoren via een euthanasieverklaring heeft kenbaar gemaakt dat hij zó niet wil leven. En als het gaat om een uitzichtloze ziekte, dat ook.

Als je wél bij kennis bent, kun je besluiten dat je je vrienden niet meer wilt confronteren met je uitgemergelde zieke zelf. Dat je liever wilt dat ze je zich herinneren zoals je was. Dat je evenmin wilt dat ze naar je dode lichaam komen kijken, iets wat veel mensen toch al niet graag doen.

In het gesprek over de gestorvene die geen afscheid had willen nemen zei een andere vriend: daar moet je niet over oordelen. Hij werd zelfs al een beetje boos bij de verzuchting dat het jammer was voor de achterblijvenden. Het ging niet aan daar een mening over te hebben, vond hij. Het is iemands recht om zelf te kiezen dat hij geen afscheid wil.

Dat leek precies het tegenovergestelde van Vermeersch. Die vriend zei eigenlijk dat wij ons beeld van iemand niet moeten bijstellen, hoe gering ook, op grond van zo’n allerlaatste beslissing.

Maar misschien bedoelden hij en Vermeersch voor een deel wel hetzelfde. Dat je zelf mag weten hoe je gezien wilt worden en hoe niet. Zoals je je huis opruimt voor je bezoek krijgt, niet ongewassen of in pyjama de deur opendoet, je schaamt als je stomdronken bent geworden of vreselijk onredelijk bent geweest – dát beeld wil je niet dat de mensen van je hebben. Dat vind je schaamtevol, of als het heel ver is gegaan, vernederend.

Is het heel erg om soms in een vernederende situatie te belanden? Zó erg dat je dan liever dood zou moeten willen zijn? Dat mag iemand natuurlijk zelf zo vinden, net zoals mijn vriend zei, het is niet aan een ander daar een oordeel over te hebben. Maar omgekeerd kunnen de buitenstaanders evenmin zeggen: dat beeld van jou willen wij niet hebben. Jij kunt maar beter dood zijn.

En dan is dus de vraag: is men, als men nog bij zijn verstand is, zijn eigen buitenstaander als het gaat om een toekomstig zelf, of al bij voorbaat de insider die van binnenuit kan beslissen?

Moeten we nog eens wat over nadenken.

Reageren kan op nrc.nl/vos Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie.

    • Marjoleine de Vos