Stille kracht achter successen op de baan

Bondscoach Peter Pieters heeft het Nederlandse baanwielrennen uit het slop getrokken. „Dankzij hem leeft de sport nog. Hij heeft het allemaal opgezet.”

Bondscoach Peter Pieters afgelopen week bij de WK wielrennen in Manchester. „Niets ontgaat hem.” Foto Cor Vos Manchester - Engeland - wielrennen - cycling - radsport - cyclisme - baan - bahn - piste - track - WM - WC - WK - wielrennen wereldkampioenschap op de baan - Peter Pieters - Theo Bos - foto Wessel van Keuk/Cor Vos ©2008 Vos, Cor

Op het oog is hij de vlees geworden nuchterheid. Wie Peter Pieters zaterdag in Manchester vroeg naar de prestaties van Marianne Vos kreeg als antwoord: „Goed.” En Theo Bos? „Niet goed.” Wie meer wil weten moet er maar naar vragen. De bondscoach van de baanrenners is geen man van veel woorden.

Toch zijn maar weinig mensen zo gepassioneerd als het gaat om wielrennen. „Niets ontgaat hem”, zegt teammanager Piet de Wit, al jaren Pieters’ rechterhand. „Hij weet zondagavond alle uitslagen, van de weg en de baan, in heel Europa. Niet alleen de topdrie, ook nummer 25. Alles weet hij. Wie er goed zijn, welke renners eraan komen, alles.” Die nuchterheid is grotendeels de buitenkant, zegt De Wit. „Innerlijk vreet hij zich op als het niet gaat met de ploegachtervolging of Theo Bos. Hij is gespannen, zit op de WK als eerste aan het ontbijt.”

Peter Pieters (46) uit Zwanenburg staat bekend als de man die het baanwielrennen uit het slop trok, op een moment dat er nauwelijks interesse was. Tien jaar nadien kijkt niemand nog op als Nederland met een handvol medailles terugkeert van de WK. En in Manchester ging de afgelopen dagen nog een hoop mis.

Voordat hij zich opwierp als bondscoach had Pieters al een bonte carrière als renner achter zich, waarin hij alles reed, binnen en buiten, klassiekers, zesdaagsen, de Tour, koppelkoersen, achter de derny, de achtervolging. Zijn beste jaar was 1988, toen hij de klassieker Parijs-Tours en de Nederlandse titel op de weg won. De laatste jaren van zijn carrière was hij nagenoeg de laatste Hollandse baanrenner.

Hij werd bondscoach omdat hij het niet kon aanzien dat de sport uit Nederland zou verdwijnen. „Dankzij Peter leeft de sport nog”, zegt Levi Heimans, specialist op de ploegachtervolging. „Hij heeft het allemaal opgezet.” Makkelijk ging dat niet, zegt De Wit, die in 2000 door Pieters werd gevraagd hem te assisteren. „Hij bemoeide zich aanvankelijk met elk detail. Dan belde hij midden in een training op, dat er iets geregeld moest worden, een hotel, of trainingsuren voor de renners. Hij had alles zelf moeten doen, want toen hij bondscoach werd was er niets: geen renners, geen baan, geen geld.”

Met jonge renners als Theo Bos en Teun Mulder trokken ze door het wereldbekercircuit. De Wit: „Maar we moesten ’s avonds echt uitrekenen of we niet per ongeluk een glaasje cola te veel dronken.”

Dag en nacht is Pieters bezig met wielrennen. In zijn vrije tijd begeleidt hij zijn koersende kinderen. „Het zit heel diep in zijn bloed’’, zegt koppelkoersspecialist Robert Slippens, die als jonge renner in 1997 nog de WK in Perth met hem reed. „Het werd niks, ik was helemaal niet goed. Hij had in de voorbereiding tegen me gezegd: ‘Als ik jou was zou ik maar niet met mij meegaan, want je rijdt je over de kop.’ Door al zijn wegwedstrijden had hij een onwijs grote motor. Ik was twintig en had dat niet. Maar ik probeerde het toch, en het ging helemaal mis. Ik was eigenlijk al versleten voordat het toernooi begon. Peter had als renner een heel eigen denkwijze, werd ook niet altijd geaccepteerd. Hij was een einzelgänger. Als zijn eigen plan goed uitpakte was het prima, maar als het misging kreeg hij de ploeg tegen zich. Peter is een winnaar, wint het liefst zelf. Kenmerkend voor een goede renner.’’

Eén van de redenen voor zijn succes is zijn neus voor talent. Bezeten als hij is bezoekt Pieters talloze koersen. „Doordat zijn kinderen fietsen ziet hij iedereen vanaf de junioren”, zegt De Wit. „In de zomer loopt hij bij alle criteriums te scouten.”

Zo plukte hij anderhalf jaar geleden Jenning Huizenga van de weg. Hij haalde hem over het eens op de baan te proberen. Sinds ‘Manchester’ is de Fries de op één na sterkste baanrenner ter wereld op de individuele achtervolging. De Wit: „Peter volgde hem al een jaar en zag dat hij het in zich had. Hij kijkt naar de bouw, hoe iemand op zijn fiets zit, welke versnelling hij gebruikt.”

Als coach geeft Pieters zijn renners veel vrijheid. Zo bepaalt Theo Bos zelf welke wedstrijden hij rijdt, ook al vindt Pieters dat Bos te weinig de competitie aangaat met de wereldtop. „Er is bij hem altijd ruimte voor overleg”, zegt Levi Heimans. Ook volgens De Wit stelt Pieters zich niet op als „schoolmeester”, anders dan baancoaches in het buitenland. „Nu kan dat nog in Nederland, maar dat zal wel veranderen”, zegt De Wit. Toch kan hij keihard zijn, zoals hij ook als renner was. „Als we terugkomen uit Amerika, zegt hij: morgen om tien uur trainen. Gewoon doorgaan, dan ben je het snelst van je jet lag af.”

Het wielerdier rijdt zelf nog vaak mee tijdens trainingen. De Wit: „Op die manier voelt hij hoe goed de jongens zijn. Op een gegeven moment rijden ze hem eraf. Maar de meiden lukt dat niet.”

Toch heeft Robert Slippens ook de nodige kritiek op de manier waarop Pieters de renners begeleidt. „Toen ik met hem reed gaf hij weinig aanwijzingen. Zo is hij zelf ook groot geworden in het wielrennen, met vallen en opstaan. Zo ging dat gewoon in die tijd. Als je de verhalen hoort, dan waren de renners veel meer klootzakken voor elkaar dan nu. Ze reden elkaar de hekken in. Vroeger was het mentaal harder.”

Maar ook als bondscoach heeft Pieters onvoldoende contact met de renners, vindt Slippens. „Hij is redelijk slecht in communiceren. Tegelijkertijd weet hij alles over je. Wonderbaarlijk is dat. Ik denk dat het niet meer dan logisch is dat een bondscoach in het zesdaagse-seizoen af en toe zijn renners belt om te vragen hoe het gaat. Dat gebeurt niet, maar hij weet wel altijd of je goed bent of niet. Dat is wel eens frustrerend. Je wilt ook wel eens je gevoel uiten over een wedstrijd. Soms rij je heel goed en gebeurt er niks, soms rij je slecht en win je.”

Slippens had vorig jaar een „rotjaar’’ na zijn wielerongeluk in België, waarbij hij tien ribben en een sleutelbeen brak. „De eerste maanden belde Peter regelmatig, maar toen ik weer op de fiets zat was het als vanouds. Veel renners willen af en toe contact met de bondscoach. Ik heb er wel eens met hem over gesproken, maar communiceren is niet zijn sterkste punt. Dat weet hij zelf ook, maar ik zou dan toch proberen om daar iets aan te veranderen. Dat is wel eens een gemis.”

Maar als oud-renner brengt Pieters een schat aan ervaring mee, erkent Slippens. „Hij weet alles van wielrennen, hij weet precies hoe een koers loopt. Hij heeft elke situatie wel eens meegemaakt. Zijn sterke kant is vooral het vinden van jong talent, zoals Jenning Huizenga. Niemand had verwacht dat hij in zo’n korte tijd zo’n niveau zou halen. Dat is toch wel heel knap.”

De opkomst van het Nederlandse baanwielrennen onder Pieters bleef ook in het buitenland niet onopgemerkt. „Peter is voor mij een voorbeeld”, zegt de Italiaan Adriano Baffi, een oud-wegsprinter die ook zesdaagsen reed aan de zijde van Pieters. Nu is hij coach van de Italiaanse beloften. „Toen ik coach werd, vroeg ik als eerste Peter om informatie. Nederland zit in dezelfde situatie als Italië. Het is heel moeilijk baanrenners te krijgen. Peter heeft goed werk verricht als je de prestaties vergelijkt met wielerlanden als België of Italië. Hij begon met niets, en staat nu aan de top. Hij wekt vertrouwen, dus mensen komen graag naar de baan.”

    • Rob Schoof