Matinee brengt verguisde en tegendraadse muziek

Klassiek Radio Kamer Filharmonie o.l.v. Thierry Fischer. Gehoord: 29/3 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 1/4 20 uur.

Het siert artistiek leider Kees Vlaardingerbroek van de ZaterdagMatinee dat hij zich niet te veel aantrekt van gevestigde opvattingen over welke componisten ertoe doen, en onverwachtse, zo niet tegendraadse keuzes durft te maken. In de afgelopen weken kon het Matineepubliek zo kennismaken met nieuwe muziek van de hier nog ongehoorde Oostenrijker Thomas Larcher, de om zijn traditionalisme lang verguisde Nederlander Hans Kox, en nu AnthonyFiumara (1968), bekend als muziekrecensent van Trouw en artistiek leider van De Volharding, maar nog niet echt als componist.

Aperture (2007) is Fiumara’s grootst bezette werk tot nu toe, is een logische uitbreiding van zijn bestaande oeuvre: het ademt een serene sfeer, is rechtlijnig en procesmatig, en maakt intelligent gebruik van beproefde canontechnieken. Veelzeggend is dat de componist het werk eerst in een veel langere versie concipieerde, maar het tot de door de Matinee gewenste lengte kon inkorten zonder dat het wezenlijk veranderde.

Het werk begint met een Ligetiaans klankbeeld, doordat schrille strijkers gestaag in verschillende tempi afdalen. Maar ondanks een warm vibrato houdt Fiumara de textuur opvallend kaal en compromisloos. Je hoort het proces, en méér is er niet – behalve in het toch wat gedramatiseerde slot, waar alle stemmen beneden aankomen. Dat niet iedereen zich in dit onopgesmukte en ook wat cerebrale proces kon vinden, verried een enkele boeroeper na afloop, die overigens meteen weerwoord kreeg.

Distant Light (1996-7), het mierzoete maar in wezen oprechte vioolconcert van de Letse neoromanticus Peteris Vasks, is ook zo’n eigenzinnige keuze van Vlaardingerbroek. Helaas stelde soliste Baiba Skride teleur. Ze speelde in langzame passages weliswaar verbluffend zacht en gevoelvol, met smaakvol gedoseerd vibrato, maar ze vergaloppeerde zich telkens weer in de snellere en wildere momenten. Na de zoveelste solocadens vol gênant valse dubbelgrepen kreeg het wat theatraals toen het orkest, beginnend in de bassectie, haast kreunend weer inzette. Het werd zo een erg lange zit.

Voor niemand was het teruggrijpen op oude technieken, tonaliteiten en sentimenten zozeer een tweede natuur als voor Igor Stravinsky. Zijn classicistische ballet Orpheus (1947) klonk in een zaal die nog nabruiste van de uitvoering van Petroesjka door het Koninklijk Concertgebouworkest,

een dag eerder. Het lukte dirigent Thierry Fischer echter niet om iets van die oude, energieke Stravinsky in Orpheus te laten doorklinken – de gang naar de onderwereld werd een wat futloze onderneming, met gebrek aan coördinatie en weinig lijn.

    • Jochem Valkenburg