Mag de burger ook opereren?

Lekenrechtspraak zou ook in Nederland moeten worden ingevoerd, stelt Wouter van den Bergh (nrc.next, 28 maart).

Hij heeft niet goed gekeken naar hoe dat in Amerika gaat.

Illustratie Milo Milo

De vicepresident van de Amsterdamse rechtbank Wouter van den Bergh stelt in zijn artikel ‘Het oordeel is aan de rechter én jury’ (nrc.next, 28 maart) dat juryrechtspraak nodig en nuttig is, omdat het de burgerparticipatie bevordert en de rechterlijke macht geen redelijke afspiegeling van onze samenleving behelst.

Maar is het echt zo slecht gesteld met de burgerparticipatie in Nederland? Allereerst kiezen burgers iedere vier jaar een nieuw kabinet – de wetgevende macht. Deze wetgevende macht zorgt ervoor dat de wet wordt aangepast aan veranderingen in de maatschappij en nieuwe behoeften van mensen. Het nieuwe BV-recht bijvoorbeeld, dat eind dit jaar ingevoerd zal worden, regelt dat ondernemers meer wettelijke mogelijkheden krijgen om een onderneming naar eigen wensen in te richten. Ook het strafrecht is nu aan verandering onderhevig – denk daarbij aan nieuwe wetten ter bestrijding van criminaliteit op internet.

Burgerparticipatie begint dus al bij invloed op de wetgeving en daarmee ook op de rechtsprekende macht. Bovendien maken het ministerie van Justitie en de Raad voor de rechtspraak veelvuldig gebruik van burgeradviesgroepen. Mensen uit bijvoorbeeld de gezondheidszorg of het onderwijs worden gevraagd om de volksvertegenwoordiging te ondersteunen bij het maken van juridische beslissingen. Participatie te over dus.

Het is bovendien maar de vraag of de juryrechtspraak hier zoveel aan zou bijdragen. In de Verenigde Staten is zitting nemen in jury’s een wettelijke vastgelegde burgerplicht – de zogenoemde jury duty. Maar in de praktijk komt er vaak maar weinig van terecht: je kunt gemakkelijk onder de plicht uitkomen, om religieuze redenen of vanwege praktische bezwaren als een te drukke baan. Passieve, niet-betrokken burgers komen dan ook vaak niet opdagen. Juryrechtspraak bevordert meestal alleen de participatie van mensen die toch al actief betrokken zijn bij de maatschappij.

Dan de vraag of de rechterlijke macht wel een redelijke afspiegeling van de samenleving vormt. Volgens Van den Berg is dat niet het geval. Daar hoort een kanttekening bij. Ten eerste heeft Nederland, in vergelijking met andere landen, een zeer toegankelijk onderwijssysteem. Veel mensen hebben de mogelijkheid te studeren – en de rechtenstudie is voor iedereen met een vwo-diploma toegankelijk. De ingang naar de rechterlijke macht is dus zo beperkt nog niet.

Natuurlijk zal niet iedere groep vertegenwoordigd zijn. Maar is dat niet onvermijdelijk? Of je een rechter kan worden, is afhankelijk van talloze factoren, zoals opvoeding, afkomst, motivatie en intelligentie. Bovendien geldt dit niet alleen voor de rechterlijke macht: de meeste maatschappelijke instanties vormen geen goede afspiegeling van de bevolking. En dat is maar goed ook. Zou Van den Bergh het wenselijk achten dat men ook burgers in de operatiekamer toelaat, die mogen stemmen over het al dan niet opereren van een hartpatiënt?

Natuurlijk niet. Om een goede afweging te kunnen maken, zal men voldoende kennis van het lichaam moeten hebben en over de ervaring moeten beschikken om de uitkomst, de overlevingskansen en de eventuele bijwerkingen van een operatie in te kunnen schatten. En zo werkt het ook in de rechtspraak. Het is onbegrijpelijk dat Van den Bergh stelt dat iemand, om tot een oordeel over het daderschap te kunnen komen, „geen speciale deskundigheid” hoeft te hebben. Rechtspreken is meer dan alleen kennis van goed en fout; het is ook kennis van de wet en de ervaring of een bepaalde strafmaat toereikend is of niet.

Ik ben het met Van den Bergh eens wanneer hij zegt dat om de rechtspraak te verbeteren, eventuele grote financiële en organisatorische gevolgen van ondergeschikt belang zijn. Maar lekenrechtspraak zou geen verbetering zijn.

Davine Roessingh (22) studeert rechten aan de Universiteit van Amsterdam.