Het genoegen van weinig wedijver

Een van de prettige aspecten van kunstprogramma’s is dat ze over het algemeen geen wedstrijd zijn. Een beetje competitie is natuurlijk wel leuk en prikkelend, maar je raakt van de televisie gemakkelijk wat overprikkeld, omdat iedereen voortdurend bezig is te winnen, meestal iets, een hoofdrol of een villa, maar anders toch minstens van een ander: de presentator van de gast en omgekeerd en de gasten van elkaar. Daarom was het gesprek dat Rob Trip in Buitenhof had met Paul Schnabel van het Sociaal en Cultureel Planbureau en Wim van de Donk van de WRR zo’n verademing: twee verstandige, goed formulerende heren, die het niet per se steeds eens waren maar echt een gesprek voerden, waarin ze verder probeerden te komen dankzij elkaars inzichten.

Je snapt wel dat dat op de televisie niet steeds kan en moet, maar als het soms toch gebeurt, en interessante geesten tot een werkelijk gesprek komen, is dat wel fijn.

Schnabel en Van de Donk begonnen bij Wilders, zoals wel meer mensen dit weekend, maar bleven bepaald niet in dat filmpje steken, ze analyseerden wat het probleem is in de Nederlandse samenleving: „Mensen ervaren een verlies aan controle” zei Van de Donk, ze hebben niet het gevoel dat er een plan voor Nederland is, een toekomstvisie. En zowel hij als Schnabel vond dat de politiek daar een taak heeft, maar de burger zelf ook: politiek is geen consumptieartikel, idealen moeten gedragen worden door de samenleving.

Maar goed, kunst, zei ik, hoeft niet steeds zo competitief te zijn, al moeten we daar de factor wedijver natuurlijk niet uitvlakken. Succes hebben is ook een vorm van competitie, beter zijn dan een ander. De piepjonge dirigent Gareth Malone, die op een school waar de kinderen geen enkele muzikale ondergrond hebben een koor wil oprichten, is zeker ten dele ook met een wedstrijd bezig: hij wil immers dat zijn koor goed genoeg wordt om mee te doen aan een internationale korenmanifestatie in China, en als dat gaat lukken, wat we nog niet weten, dan wil hij natuurlijk ook dat dat koor daar behoorlijk voor de dag komt.

In de documentaireserie The Choir zien we hoe hoe hij dat probeert voor elkaar te krijgen, en hoe de kinderen in kwestie proberen van niets tot goede koorzangers te worden. De Indiase jongen die bekent dat hij vrijwel nog nooit naar Engelse muziek heeft geluisterd en die nu thuis ijverig zit te oefenen om een liedje uit The Lion King zuiver te kunnen zingen. Het verlegen meisje Chloe dat maar matig zin in dit alles lijkt te hebben maar op een dag op het podium klimt en zingt met een stem die klinkt als een klok. De twee Afrikaanse kinderen die hopen dat hun vader toestemming krijgt om zich vanuit Nigeria bij hen te voegen. Elk kind brengt zoveel meer mee dan een stem die getraind moet worden, maar de focus van het programma ligt wel echt op het ontstaan van een koor. Die Gareth Malone is een held en hij praat leuk en ziet er leuk uit – een verrukkelijk very Engels programma dat lekker nog een paar zondagen doorgaat.

En dan was er ook nog Close up met een portret van (het leven van) beeldend kunstenaar Micha Klein en zijn vriendin Afke, die in de jaren negentig het gouden paar vormden van de housewereld en de partycultuur enz. Dat werd vooral getoond, al liet de documentaire van Corinne van Egeraat ook wel iets zien van de artistieke ontwikkeling van Klein en gaf ze een indruk van de bijna schokkende vernieuwing die zijn werk begin jaren negentig betekende.

Het paar zelf was minder gelukkig met de documentaire, waarvan ze de vertoning op het documentairefestival Idfa hebben geprobeerd te verbieden: te veel feest, te weinig kunst. Nu, iets daarvan is wel waar, maar het is ook wel aantrekkelijk om die feestende, bewegende wereld te zien die achteraf bezien zo helemaal bij de jaren negentig hoorde: „de magie van die tijd, zoveel love, zoveel liefde” zoals Afke het uitdrukte.

Evenzogoed jammer dat we Klein nu weinig meer horen zeggen dan merkwaardige onzin als: „Elke generatie is natuurlijk evolutionair een stapje naar de toekomst toe.”