Bedrijven komen niet alleen voor gunstig fiscaal regime

Hoofdkantoren zijn in Nederland goed voor 150.000 banen. Maar door de verkoop van ABN Amro, Numico en Hagemeyer dreigt Nederland terrein te verliezen.

Welk hoofdkantoor levert de meeste banen op? De toren aan de Zuidas waar de vergaderzaal van de raad van bestuur is? De postbus van de firma die officieel zijn hoofdkantoor in Nederland heeft gevestigd om belastingtechnische redenen? Het Europese hoofdkantoor van een Aziatische firma, die zijn expansie over het oude continent hier organiseert? Of het onderzoeks- en ontwikkelingsinstituut dat vaak in de schaduw van het hoofdkantoor staat?

Met de overnames van grote bedrijven als ABN Amro, Numico en Hagemeyer is sinds vorig jaar de discussie opgelaaid of Nederland niet te veel hoofdkantoren verliest en of dat geen werkgelegenheid en economische groei gaat kosten.

150.000 mensen worden in totaal door hoofdkantoren aan het werk gehouden, heeft The Boston Consulting Group, een van de belangrijkste adviseurs van de top van het Nederlandse bedrijfsleven, becijferd. Dat zijn de mensen die er direct werkzaam zijn, het personeel van toeleveranciers, de juridische en financiële adviseurs en de indirecte banen die worden gecreëerd doordat de werknemers van de hoofdkantoren hier wonen en consumeren. Zij genereren samen 13 miljard euro aan inkomsten, ongeveer 2,5 procent van het bruto binnenlands product.

„Nederland heeft nog een goede positie, maar heeft ook veel te verliezen”, zeggen Emile Gostelie en Jan Willem Kuenen van BCG. Maar door te beschermen, bereik je niets. „Je zult bedrijven moeten verleiden om hier hun hoofdkantoor of een deel van de activiteiten te vestigen. Maar aan een beleid dat jaren wordt vastgehouden ontbreekt het”, zeggen zij.

In het onderzoek onderscheidt BCG vier soorten hoofdkantoren. De bekendste zijn de „mondiale besliscentra” van grote multinationals als Shell, Ahold en Unilever. Die bezorgen zo’n 40.000 mensen werk. „Dat is een categorie die bedreigd wordt, je kunt niet voorkomen dat Nederlandse bedrijven worden overgenomen”, zegt Gostelie. Aanvulling is er nauwelijks, want nieuwe grote wereldspelers worden nauwelijks in Nederland gecreëerd, met uitzondering van Randstad (uitzendbureau), Tomtom (navigatiesystemen) en ASML (chipmachines).

Europese hoofdkantoren van bedrijven als Nike en een aantal Aziatische bedrijven houden nu 15.000 man aan het werk, maar zijn volgens BCG een mogelijke bron van groei. Vooral Aziatische bedrijven die hier al zitten kunnen fungeren als trekker voor meer bedrijven uit de snel opkomende economieën. Maar dan zal Amsterdam moeten zorgen dat het aantrekkelijk wordt als vestigingsplaats voor mondiale of Europese hoofdkantoren.

„Je moet echt beslissen waar je dat centrum wil hebben”, zegt Gostelie, „en wij vinden dat je moet inzetten op Amsterdam. Waarom zou je daar niet een goede Chinese school opzetten? Dat moet je niet in drie of vier steden doen. Om een extreem geval te noemen, je zou je moeten afvragen of de hogesnelheidslijn naar Parijs en Brussel alleen in Amsterdam moet laten stoppen en niet in Rotterdam en Den Haag. Dergelijke keuzes moet je durven maken als je bedrijven wilt aantrekken.”

De meeste mensen worden aan het werk gehouden door wat BCG expertisecentra noemt, 85.000. Maar de meeste van hen zijn verbonden aan de onderzoeks- en ontwikkelingscentra van slechts vier bedrijven: Shell, Unilever, Philips en Akzo Nobel. Verplaatsing van onderzoek vanuit het Unilever-lab in Vlaardingen naar andere plaatsen in de wereld geeft aan hoe kwetsbaar dat is. De investeringen in onderzoek en ontwikkeling in Nederland nemen af en buitenlandse investeringen in Nederlandse r&d zijn er nauwelijks.

Maar in expertisecentra schuilen veel mogelijkheden, vindt BCG. Maar dan niet alleen in onderzoek en ontwikkeling. Zo is Zwitserland erin geslaagd een internationaal centrum voor inkoop te worden van grote internationale bedrijven als Kraft, Unilever en Procter & Gamble. „Bedrijven hebben daar ooit hun inkoopcentra en ketenbeheersorganisaties om fiscale redenen gevestigd, maar omdat al die inkopers daar komen en het een prettige leefomgeving vinden, ontstaat er kritische massa”, zegt Gostelie. „Bedrijven die een goede inkoper zoeken, zetten nu een advertentie in de Neue Zürcher Zeitung.”

Zo zou je volgens BCG ook in Nederland zogeheten clusters moeten vormen in bepaalde delen van Nederland, die aantrekkelijk worden voor deze expertisecentra. BCG noemt de regio rond Eindhoven voor technologiebedrijven en Wageningen voor voedingsmiddelentechnologie als voorbeelden.

Nieuw is de term clusterbeleid niet. Clusterbeleid was al een populaire term toen in 1994 de toenmalige minister van Economische Zaken Koos Andriessen een groot globaliseringsdebat hield met de top van Nederland om te bepalen hoe Nederland zich kon verweren tegen de groeiende internationalisering van het bedrijfsleven. „Maar we hebben nooit een beleid lang volgehouden en er zijn nooit harde keuzes gemaakt”, zegt Gostelie. „Dat moet nu wel gebeuren.”

Vooral om die reden zou Nederland ook een concurrerend fiscaal-juridisch beleid moeten blijven voeren. Dat kan bedrijven aantrekken, die daardoor hier analoog aan Zwitserland een cluster opbouwen. „Het hier vestigen van hoogwaardige arbeid in beslis- of expertisecentra moet dan wel een expliciete eis zijn”, zegt Kuenen. Want op zich heeft, los van de belastingopbrengsten die onbekend zijn, het aantrekken van fiscaal-juridische hoofdkantoren (de brievenbusfirma’s) niet zoveel economische waarde. En het is de vraag of je ze behoudt. Kuenen: „Wie om het geld komt, gaat ook om het geld weer weg.”

    • Daan van Lent