Afscheid

Ook van een dierbare dode winkel moet je op gepaste wijze afscheid nemen. Ik zag het nogal wat klanten de afgelopen dagen doen bij Boudisque, de legendarische platenzaak op de hoek van de Haringpakkerssteeg en de Hasselaersteeg, dichtbij het Centraal Station van Amsterdam.

Ze liepen nog één keer de winkel binnen, inspecteerden de bijna lege rekken met de zielige winkeldochters, deden een nostalgische laatste aankoop, wensten het personeel sterkte en vertrokken verstrooid.

Dat was ook alweer geweest.

Boudisque was vanaf 1968 een toonaangevende speciaalzaak in de popmuziek. Van welke stroming je ook hield, je vond er altijd wel iets van je gading. Toen ik nog niet in Amsterdam woonde, ging ik bij een bezoek aan de stad altijd even bij Boudisque langs.

Thuis had ik dan meestal mijn huiswerk gemaakt via de advertenties van Boudisque in muziektijdschrift Oor. Enkele van die advertenties hingen nog ingelijst aan de muur toen ik vorige week mijn condoleancebezoek bracht. Een al bijna vergane wereld ging nog even voor me open: de elpees Sally Can’t Dance van Lou Reed en Hoe sterk is de eenzame fietser van Boudewijn de Groot waren toen voor 12,50 gulden te koop, twee gulden goedkoper dan Grievous Angel van Gram Parsons.

Boudisque hoorde bij de tegencultuur van een nieuwe generatie. De sfeer was er relaxt, de joints waren al van verre te ruiken en de ijzeren stoeltjes voor de luisteraars zaten beroerd. Het hoofdhaar van het personeel was minstens zo lang als dat van de klanten. Iedereen – verkoper en klant – praatte met grote toewijding over de platen. Was de nieuwe ‘bootleg’ van Dylan al binnen, hoe stond het met de ‘import’ van de laatste Randy Newman?

Geleidelijk kwam ik er minder, elke generatie heeft nu eenmaal haar eigen popmuziek en Boudisque ging onversaagd, en terecht, mee met de nieuwste rages: punk, new wave, reggae, heavy metal et cetera. Toch kon Boudisque het op den duur niet bolwerken. Men verloor niet van de concurrentie, maar van een wereldwijde, ongrijpbare tegenstander: internet. Wij allemaal, zou je kunnen zeggen.

Ik merkte het ook op mijn laatste rondgang door de zaak. Terwijl ik in de bakken tastte, hoorde ik een van de winkeliers in een hoek van de zaak met een journalist praten.

„Hoe komt het nou dat jullie moeten stoppen?” vroeg de journalist. „Is het downloaden van muziek de oorzaak en is jullie publiek te oud geworden?”

„Ja, pak je camera maar en film wat je ziet”, zei de winkelier. „Dan merk je dat het vooral een ouder publiek is dat hier nog rondloopt.”

Het was even stil. „Inderdaad”, zei de journalist.

Ik keek om me heen. Er was op die plek in de zaak op dat moment nauwelijks publiek aanwezig. Verrek, ze bedoelen mij, dacht ik. Ik – althans mijn in regenjas gehulde achterkant – werd nu gefilmd als een soort symbool van de bloei en neergang van een winkel, eigenlijk van een hele generatie. Die eer was me te twijfelachtig, en ik maakte me haastig uit de voeten.

Op weg naar de uitgang kocht ik nog snel een vergeten Jackson Browne: Running On Empty. Uit 1977. „Now the end is near, 30 % korting”, las ik op enkele muurbiljetten.

Wees niet bezorgd, ik leef door alsof er niets aan de hand is.

    • Frits Abrahams