Zorgen over popsector Rotterdam

Van een bruisende popstad is Rotterdam afgegleden tot een zorgenkind. „Wie geen nachtleven heeft, heeft ook geen creativiteit.”

Hij bedoelde het niet lullig, maar ontkwam domweg niet aan de conclusie. „Rotterdam heeft meer weg van een plattelandsgemeente dan van een volwassen stad”, stelde Leon Zwaans droogjes vast. In plaats van weerwoord oogstte de cultureel onderzoeker dinsdagavond in de Schiecentrale vooral bijval voor die stelling, te midden van ruim veertig grote en kleine spelers in de Rotterdamse muziekindustrie.

In opdracht van de ‘economische buitenboordmotor’ van de gemeente, de Economic Development Board Rotterdam (EDBR), onderzocht Zwaans de afgelopen maanden de muzieksector in de tweede stad van Nederland. Van de uitkomsten is hij niet vrolijk geworden. Als het om „popmuziek in de meest brede vorm” gaat, wordt cultuur in Rotterdam met een kleine ‘c’ geschreven, luidde zijn boodschap.

Een greep uit Zwaans’ bevindingen: Rotterdam (circa 2.000 bands en 20.000 muzikanten) telt „nauwelijks aansprekende landelijke live-bands” en het aantal live-muziekcafés is zeer beperkt – om over de noodlijdende poppodia maar te zwijgen. De sector (600 bedrijven, 5.300 werknemers) wordt geregeerd door „professionele hobbyisten”, die de DIY-theorie tot kunst hebben verheven: do it yourself. Met andere woorden: Rotterdam herbergt vooral „heel veel éénpitters, van wie sommigen niet eens beseffen dat ze met muziek bezig zijn, laat staan dat zij de samenwerking zoeken”.

Gelaten hoorden de aanwezigen Zwaans’ betoog aan, om deze kort daarop via groepsgesprekken aan te vullen, zodat het EDBR het stadsbestuur over enkele weken kan adviseren. Fungeerde de stad in de jaren tachtig en negentig nog als „een bruisend en experimenteel muzieklaboratorium”, tegenwoordig zijn „de bureaucratische drempels zo hoog dat het niet vreemd is dat talent de benen neemt naar Amsterdam”. En is het geen veeg teken dat muziekzender MTV, na een kortstondige flirt met Rotterdam, alsnog is neergestreken in datzelfde ‘020’?

Maar Rotterdams grootste probleem is toch vooral de wankele financiële basis van de poppodia, waarvan de meeste afhankelijk zijn van gemeentegeld. Gevolg: uitbaters spelen noodgedwongen op safe, zegt PvdA-raadslid Ronald Motta, die zelf als gitarist van de band God Knows the Absence de ‘gouden jaren tachtig’ meemaakte. „Er wordt conservatief geprogrammeerd, waardoor jong talent amper kans krijgt en geen eigen publiek en dus geen toekomst kan opbouwen.”

Ook in andere steden manifesteert zich dit probleem, maar in Rotterdam is de misère groter en hardnekkiger, menen betrokkenen. „Wie geen nachtleven heeft, heeft geen creativiteit”, stelde diskjockey Ronald Molendijk somber vast. Vooral de sluiting van het eens zo vermaarde Nighttown is daar debet aan. De poptempel moest bijna twee jaar geleden de deuren sluiten wegens een geschatte schuld van 2 miljoen euro. Op 4 september wordt Nighttown heropend, als ‘de eerste milieubewuste Sustainable Dance Club ter wereld’, onder de naam WATT.

Het is de vraag of de capaciteit van 2.050 bezoekers van WATT voldoende is om grote artiesten te verleiden weer naar Rotterdam te komen. Nu laten aansprekende bands de stad links liggen; het ontbreekt aan capaciteit, de faciliteiten zijn verouderd. Stadion De Kuip is allang geen verplicht nummer meer voor een buitenlandse topartiest op toernee. Nog dit jaar hopen de gemeente en hoofdbespeler Feyenoord plannen te ontvouwen voor een nieuw multifunctioneel stadion.

De eigen underground scene betaalt vooral de tol voor het feit dat oude, leegstaande panden zijn opgekocht en herontwikkeld, meent oud-directeur Paul van Oort van een van de bedreigde poppodia, WaterFront. „Rotterdam heeft last van de wet van de remmende voorsprong. Alles is inmiddels dichtgetimmerd met regeltjes. Bovendien wil de huidige generatie niet meer oefenen in een tochtig pandje.” Voor een plaats in het voorprogramma van een grote artiest in Ahoy komt het jonge, eigen talent al helemaal niet in aanmerking.

Wethouder Orhan Kaya (Cultuur, GroenLinks) toont volgens velen een alarmerend gebrek aan daadkracht – een verwijt dat hem vaker treft. Maar Kaya zegt zijn best te doen. Alle noodlijdende podia, van Baroeg tot Worm, is hij de afgelopen maanden financieel te hulp geschoten. En dat hij nog geen kwartiermaker heeft aangesteld om de problemen te inventariseren, laat zich eenvoudig verklaren. „Die persoon kan pas aan de slag als het nieuwe Nighttown de deuren heeft geopend.”

Volgens Kaya is de popsector nu zelf aan zet. „Al dat ongeduld is prima, maar laat iedereen ook eens in de spiegel kijken. Ik ben niet degene die moet programmeren, dat moet de sector zelf doen.” In vergelijking met Amsterdam komt de muziekindustrie er volgens hem „niet zo bekaaid vanaf, zoals zo vaak wordt beweerd”. Later dit jaar bespreekt de gemeenteraad het cultuurplan, waarna „de wens om een nieuwe zaal te bouwen kan worden geconcretiseerd”.

Wat de bestaande podia vooral steekt is dat Kaya „het wiel opnieuw wil uitvinden”. Hij heeft 15 miljoen euro beschikbaar gesteld voor een zogeheten urbanpodium. Dit ‘centrum voor grootstedelijke jongerencultuur’ zal mogelijk gehuisvest worden in het oude pand van het Fotomuseum. De bestaande podia vrezen met lege handen te blijven staan.