‘We zien niet hoe radicaal we zijn’

Een dwarse wetenschapper hekelt het integratiebeleid. „Maatschappelijke problemen definiëren in culturele termen dient om mensen uit te sluiten.”

Willem Schinkel Foto Floren van Olden Rotterdam 11-3-2008 Schrijver Dr Willem Schinkel portret. Foto Floren van Olden Olden, Floren van

Je moet maar durven. Je hele vakgebied, de sociologie, in één klap op losse schroeven willen zetten met één brutaal, volgens collega’s briljant, danwel ‘ernstig ontspoord’ geschrift. De jonge Rotterdamse socioloog Willem Schinkel (1976) probeert het met zijn eerste grote boek, waarvan nu een tweede druk is verschenen. Denken in een tijd van sociale hypochondrie is een ontregelende, provocerende en tegelijk geestige analyse van het integratiedebat in Nederland. De eerste zin zet de toon: „Dit is de sociale diagnostiek die alle sociale diagnostiek overbodig maakt.” Na het lezen van dit boek kunnen we dus eindelijk ophouden met het getob over moslims, hoofddoekjes, boerka’s, en allerlei andere tekenen van onaangepast gedrag. Of toch niet?

Schinkel, verbonden aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, vindt dat een theoretisch socioloog als hijzelf „een kritische blik moet werpen op zijn eigen tijd, op een ideologie die daarin dominant is geworden, of een idioom dat ongemerkt het publieke debat is gaan monopoliseren en dat andere mogelijkheden uitsluit’’, licht hij toe in het Rotterdamse café Engels, in hetzelfde hoge tempo en met dezelfde hoge abstractie die zijn boek kenmerken. „Dat vind ik een intellectuele, maar ook een ethische opgave.”

Volgens Schinkel is Nederland de laatste jaren in de greep geraakt van „sociale hypochondrie”: politiek en samenleving zijn zichzelf voortdurend angstig aan het betasten op zoek naar oneffenheden of aandoeningen. „De hypochondrische samenleving ziet zichzelf als een bedreigd lichaam, dat permanent gevaren moet bezweren om de dood van zich af te houden”, licht hij toe. „Vroeger hadden we daar de christelijke eschatologie voor, of het optimistische geloof van de Verlichting in vooruitgang, maar die werken niet meer. In plaats daarvan heben we nu ‘integratie’: ook dat begrip dient nu om alles wat zich niet voegt naar het dominante discours uit te drijven. Vandaar de voortdurende ophef over boerka’s, de film van Wilders, et cetera.”

De hypochondrie die Schinkel signaleert wordt volgens hem aangejaagd door een radicaal ‘culturisme’ dat het debat over allochtonen en integratie is gaan overwoekeren: de neiging om maatschappelijke problemen en kwesties allereerst te definiëren in culturele termen, en die vervolgens van morele etiketten te voorzien. Het gaat dan steevast om hún (inferieure) cultuur tegenover de onze (superieure). Schinkel ziet daarin „een functioneel equivalent van racisme”. „Het dient om groepen mensen uit te sluiten en te stigmatiseren. Rotterdam hanteert bijvoorbeeld interventieteams die bij gezinnen in de zwakkere buurten komen binnenvallen, en een ‘veiligheidsindex’, met etnische categorieën. Dat zijn keihard culturistische instrumenten, alleen wil niemand dat horen, omdat we denken dat het allemaal goed is voor de integratie.”

Schinkels vuistdikke afrekening met het integratiedenken zal het stadhuis, laat staan het Catshuis, vermoedelijk niet direct doen schudden: het is geschreven in een eigenzinnige, tamelijk ondoordringbare academische taal. Schinkel schrikt niet terug voor zelfgemaakte begrippen op de rand van academie en polemiek – zoals het vermeende ‘autovampirisme’ van de moderne samenleving (die zich in stand houdt door een deel van zichzelf uit te zuigen), of, nog cryptischer, de strategie van ‘deïndividualiserende individualisering’ (waarover hieronder meer). Die hang naar subversieve neologismen is opzet: het gaat deze angry young socioloog er immers om het heersende integratiejargon te ondermijnen en de blik van de lezer te doen kantelen. Daar zijn soms nieuwe woorden voor nodig.

Maar wat betekent ‘deïndividualiserende individualisering’? Schinkel: „Ik bedoel daarmee een culturistische strategie die wordt gebruikt om mensen als individu te behandelen en tegelijkertijd tóch weer niet. We zeggen dus bijvoorbeeld tegen moslims dat we hen niet als lid van een groep willen aanspreken, maar als individu. Zo doen we dat in het liberale Westen. Maar vervolgens worden die individuele moslims wel weer ter verantwoording geroepen voor het geheel, dat een eenduidige interpretatie krijgt: waarom draag jij een hoofddoekje, want dat is een symbool van vrouwenonderdrukking, en waarom demonstreren jullie niet tegen terreur, want die wordt veroorzaakt door jullie religie? Dus eerst halen we ze uit de groep, maar vervolgens reduceren we hun individualiteit toch weer tot een exemplarische kopie van het collectief. Je wéét het niet, maar je wordt écht onderdrukt als je een hoofddoekje draagt, ook al heb je er zelf voor gekozen.” Dan rest uiteindelijk maar één keus: je identiteit als moslim opgeven.”

Maar ontkent hij dan dat criminaliteit, vrouwenbesnijdenis, eerwraak en dergelijke reële problemen zijn? „Nee, helemaal niet, dat zijn grote problemen. Alleen: de diagnose die we nu stellen, roept het probleem slechts op. Wat heeft die zogenaamd ‘harde’ aanpak van Verdonk inzake inburgering nu opgelost? Haar inburgeringswet is onwerkbaar, die leidt nergens toe behalve tot vertoon voor de bühne. Dat is dus de paradox: de ‘harde’ aanpak heeft juist softe resultaten. Ik zou een ‘softe’ benadering voorstaan die in de praktijk juist veel harder is: keihard en verplichtend sociaal-economische achterstanden aanpakken. Maar daarvoor moeten we eerst af van het culturisme en van het hypochondrische idee dat we iedereen moeten ‘integreren’, dat wil zeggen opnemen in een harmonieus geheel. Het idioom van integratie suggereert ten onrechte dat er onaangepaste mensen ergens ‘buiten’ staan, die wij al dan niet ‘binnen’ kunnen laten naarmate ze zich meer naar onze wensen voegen. Maar het gaat niet om een beweging van ‘buiten’ naar ‘binnen’, maar om een andere, productieve manier van ‘binnen’ met elkaar omgaan.”

Dat het denken in termen van integratie en van statische, tegenover elkaar geplaatste culturen dominant is geworden in het publieke debat over migranten, is volgens Schinkel in belangrijke mate de erfenis van het Fortuynisme, dat hij ziet als een ‘retorische revolutie’. „Er werd een bepaald taalgebruik geijkt waaraan iedereen zich sindsdien angstvallig houdt, publicisten net zo goed als politici. Links, traditioneel de belangenbehartiger van migranten, worstelt nog steeds met de erfenis van Fortuyn en de nieuwe politieke correctheid. Het wordt geassocieerd met ‘oude politiek’, met ‘pappen en nathouden’ en met ‘multiculturalisme’ – ook al heeft dat in Nederland nooit echt bestaan, het is hier nooit officieel beleid geweest zoals in Engeland. De opkomst van de SP is een voorbeeld van de incorporatie van dat idioom op links. Nu heeft ook ‘links’ een ‘nieuwe politiek’. De PvdA wordt daar extra door in het nauw gedreven en de recente oproep van Wouter Bos tot polarisatie – mosterd na de maaltijd in deze tijd natuurlijk – moet, denk ik, begrepen worden als een poging om te voldoen aan de eisen van de nieuwe politieke correctheid en te vermijden dat zijn partij te zeer geassocieerd wordt met het ‘oude denken’ en ‘multiculturalisme’. Terwijl dat helemaal niet nodig is, ze zouden eerder juist uit dat hele idioom moeten breken.”

Schinkel meent dat het debat in Nederland op die manier steeds radicaler is geworden. „Wij hebben nog steeds het idee dat we een fatsoenlijk land zijn, maar zulke dingen gaan vaak sluipend. Alle parameters van het debat zijn gaandeweg zo verschoven dat we niet eens meer zien hoe radicaal we zijn geworden. Vergelijk het met een kikker die langzaam gekookt wordt: je krijgt het pas door als het te laat is.” Ook onder publicisten ziet hij maar weinig weerwerk, en eerder een hang naar ‘regressieve’ filosofie over cultuur, traditie en nationale identiteit. „Paul Scheffer doet in zijn boek Het land van aankomst bijvoorbeeld wel ruim vierhonderd pagina’s gewichtig over de ernstige vragen waar we voor staan, maar hij beantwoordt ze nergens. Aan het eind zijn het nog steeds vragen.” Zodoende leveren intellectuelen in Nederland, meent hij, „precies wat het dominante denken nodig heeft: een quasi-intellectuele legitimatie voor verdere problematisering van ‘de cultuur’ van ‘migranten’.”

Bovendien, zegt hij, gaan we hypocriet met onze nieuwe overtuigingen om. „Neem de vrijheid van meningsuiting. Als het ons uitkomt, vinden we het belangrijk wat iemand zegt, maar als het even niet uitkomt, zeggen we: ach, het zijn maar woorden. In de cartoonkwestie verdedigen we de absolute vrijheid van het woord, maar die bekeerling die op televisie Geert Wilders het ergste toewenste, moet als het even kan worden vervolgd. Ander voorbeeld: handen schudden is plotseling cruciaal als symbool voor onze cultuur, maar ‘allochtoon’ is maar gewoon een woordje. Dat is een dubbele moraal die je overal herkent. Ook als het gaat om het idee van de maakbare samenleving. Aan de ene kant wordt ‘maakbaarheid’ verworpen als oud-linkse politiek, aan de andere kant wordt het gedrag van burgers, vooral aan de onderkant, gecontroleerd en ‘gemaakt’ als nooit tevoren. In ouderwetse klassentermen uitgedrukt zou je kunnen zeggen: het is tegenwoordig vrijheid aan de top, en paternalisme aan de onderkant. Maar in principe zou het voor iedereen kunnen gelden, dat is het totalitaire ervan. Jij en ik, met een baan bij de krant en aan de universiteit, hebben nu dispensatie van integratie. Totdat we werkloos worden.”

Is zoiets niet normaal voor een moderne samenleving? „Elke samenleving rust op een vorm van primitief geweld die erop gericht is anderen uit te sluiten, dat is inherent aan ‘het sociale’: ‘wij’ horen erbij, en ‘zij’ niet. Maar de maatschappij heeft ook behoefte aan mensen die een kritische blik werpen op haar eigen exorcisme. Ik vind dat ook een ethische opdracht. Als je een keer uit Plato’s grot hebt gekeken, ga je niet de zon tegemoet, maar je gaat terug de grot in.”

Willem Schinkel: Denken in een tijd van sociale hypochondrie. Uitg. Klement, 517 blz., 37,95 euro.
    • Sjoerd de Jong