Verraderlijke lente

Afgelopen zomer vochten Nederlandse militairen in de Afghaanse Chora-vallei drie dagen lang tegen de Talibaan. Maar zijn die nu weg? „Dáár zitten de Talibaan. En dáár zitten ze ook.”

Inzet: De vernielde Afghaanse politiewagens in Chora Foto’s Jaus Müller Müller, Jaus

Even voor de ochtend overgaat in de middag en de voorjaarszon zijn hoogtepunt bereikt, vertrekt een konvooi van veertig militairen in pantserwagens van Kamp Holland naar de Chora-vallei. Ze gaan diesel en water brengen naar hun uitvalsbasis daar. En de militairen gaan hun collega’s aflossen.

„Let op het rode voertuig”, zegt kapitein Chris tegen de boordschutter. De militairen mogen niet met hun achternaam in de krant. Te onveilig.

Het rode voertuig?

„Een pick-uptruck”, zegt Chris. „Hij volgt ons telkens als we Tarin Kowt inrijden.”

Het kan een zelfmoordcommando zijn.

De route gaat via Tarin Kowt, de hoofdstad van Uruzgan, al zou dorp een beter woord zijn. Lemen huizen, gescheiden door nauwe stegen, bruin van stof en modder. De sinaasappels in de fruitstalletjes langs de kant van de weg lijken er nog kleuriger door. Overal rijden kleine Toyota-truckjes, soms met schapen achterin, of vrouwen in vaalblauwe boerka’s. De militairen die voor het konvooi uitrijden sommeren hen allemaal om naar de berm te gaan.

Bijna een jaar geleden, in april, werd Timo Smeehuijzen hier opgeblazen. Een auto vol bommen was in volle vaart uit een zijstraat komen rijden. Timo Smeehuijzen was 20. De eerste Nederlandse soldaat die door de Talibaan sneuvelde in Uruzgan. Later, in augustus, sneuvelden er twee Afghanen, een bestuurder van een busje en een bromfietser. Ze hadden het stopteken van de Nederlanders genegeerd. Of ze hadden het niet begrepen.

De pantserwagens rijden het dorp door tot de rotonde en slaan dan linksaf, naar de Chora-vallei. Afghanen zwaaien of ze wenden hun hoofd af. Tarin Kowt was vroeger een uitvalsbasis van de Talibaan, tot die in 2001 werden verdreven onder leiding van de Amerikanen. Nu staan er Afghaanse politieagenten het verkeer te reguleren. Ze zijn aangesteld door de Karzai-regering,

Maar zijn de Talibaan echt weg? In de Chora-vallei werd afgelopen zomer drie dagen lang onafgebroken tegen hen gevochten. Er werden 65 burgers gedood. Daarna meldde het ministerie van Defensie dat de „opbouwactiviteiten” konden worden voortgezet.

Deze krant ging vijf dagen embedded met de Nederlandse militairen mee de vallei in.

Maar zie er eerst maar eens te komen. De afstand van Tarin Kowt naar Chora stelt op de landkaart niets voor, hemelsbreed dertig kilometer. Toch doet het konvooi er vijf uur over om er te komen. Geknakte assen, een defecte versnellingsbak, lekke banden. En dan de permanente dreiging van bermbommen. Kapitein Chris: „We zitten hier al een tijdje en beginnen nu te merken dat de voertuigen steeds vaker stukgaan door het zand en het stof en de scherpe stenen.”

Een Afghaanse pick-uptruck doet er een half uur over om van Tarin Kowt naar Chora te komen. Chris: „Maar die hebben geen last van bermbommen.”

Rond een uur of twee komen ze aan bij IED-alley. De letters staan voor Improvised Explosive Device . De alley is een van de favoriete plekken van de Talibaan om bermbommen in te graven. Langs de alley staan amandelbomen, de takken zwaar van roze bloesem. Meisjes in felgroene en paarse jurkjes rennen tussen de boomstammen. Ze zijn nog te jong voor een blauwe boerka.

Lieflijk, maar niets is wat het lijkt in Afghanistan. De Talibaan weten ook dat de bomen in de lente weer bladeren krijgen, en dat dat het leggen van een hinderlaag een stuk makkelijker maakt. Chris: „Het is wachten tot we meer aanvallen krijgen.”

Tegen het eind van de middag bereiken de militairen de Chora-vallei. Een groene oase, omsloten door hoge bergen. De provincie was vroeger de Betuwe van Afghanistan. Er werden dadels, amandelen, saffraan en appels geoogst. Driekwart van het vruchtbare land is nu verwoest. Dat doet dertig jaar destructie. Oorlog. Groene weides, geërodeerd tot woestijn, met stof zo fijn als meel.

Een jaar geleden was de Talibaan hier nog de baas. Hier, en in de iets verder gelegen Baluchi-vallei, bereidden ze hun aanvallen op de NAVO-militairen voor. Die probeerden de bevolking te verleiden voor de regering van Karzai te kiezen, tegen de Talibaan. Ze deelden vliegers uit en dekens, schoenen en medicijnen.

Wat volgde was de ‘slag om Chora’. Volgens Defensie hadden de Nederlanders sinds Korea (1950-53) niet meer zo hard gevochten. De Nederlandse Pantserhouwitzers spuwden enorme granaten. Gevechtsvliegtuigen dropten hun bommen. Naast 65 burgers vond één Nederlandse militairen en één Amerikaan de dood. Maar de Talibaan waren verslagen. Of ze verhuisden, tijdelijk.

Op een grafheuvel in de Baluchi-vallei werden zo veel bommen gegooid dat die eruit ziet als de huid van een puber met acne.

De zon zakt. Het is eind van de middag. Bergen scherp als haaientanden ontnemen de vallei het licht. De militairen komen aan in Ali-Shirzai, de eindbestemming van hun tocht van vandaag. Er staat een wit-stenen gebouw, de binnenplaats is volgezet met veldbedden. De Nederlanders zullen hier een week of twee blijven, samen met de Australiërs.

De militairen – de gezichten geel van het stof – klimmen uit hun wagens en gooien hun rugzakken op de binnenplaats. Ze rollen hun slaapzakken uit en dan lopen ze naar de keuken. Ze halen plastic zakjes omelet in poedervorm uit de dozen die klaarstaan. Met carbid en water maken ze er eten van. Sommigen bakken er een eitje bij, gekocht van Afghaanse boeren.

Sergeant-majoor Michel klimt via een houten laddertje het plaatstalen dak op. Hij wijst naar rechts, naar de Baluchi-vallei, tien kilometer verderop. „Daar zitten de Talibaan.” Dan wijst hij naar links, naar Gizab. „Daar zitten ze ook.” In Gizab zitten de meeste. De Nederlanders komen er af en toe om te patrouilleren. Ze willen er een post bouwen voor het Afghaanse regeringsleger.

Vanaf het dak kijkt Michel zo op de huizen van de bewoners van Ali-Shirzai. Op de erven staan autowrakken. Er is een moskee, gebouwd door de Nederlanders. Er is ook een school en een ziekenhuisje, met medicijnen en nieuwe dekens. Er is een nieuw politiehoofdkwartier, gebouwd door de Afghaanse bouwbedrijfjes, betaald door Nederland. Er klinkt muziek, wat jarenlang niet mocht. Er lopen vrouwen op straat. Kinderen vliegeren.

Kapitein Chris gaat de volgende dag samen met sergeant-majoor Michel en kapitein Inge het dorp in. Tien infanteristen lopen mee om hen te beveiligen. Chris – op zijn pet staat ‘King of Chora’ –, Michel en Inge gaan naar de school toe. Ze willen met de directeur praten. Ze willen ook kijken of het gebouw is geverfd, zoals de vorige keer werd afgesproken.

Michel rammelt aan de poort. Niets te horen. Niets te zien. Hij rammelt er nog eens aan. Niets. Chris: „Het is vakantie. Hij is denk ik gesloten.”

Even later zegt Chris: „Dat is het probleem hier: ik kan geen afspraken maken met de Afghanen. Dat is te gevaarlijk: dan weten ze precies wanneer wij komen.” Die informatie kan dan weer worden doorgespeeld aan de Talibaan. Zodat zij een hinderlaag kunnen voorbereiden. Het is lastig, opbouwen met de Talibaan in je kielzog.

Onderweg komt Chris bekenden tegen, zoals Mohammed Daoud, de 24-jarige zoon van Rosi Khan. Hij is de baas in het district. Mohammed Daoud nodigt Michel en Chris uit om te komen eten vanavond. Dat doet hij bijna iedere dag. Tijdens zo’n etentje vraagt Daoud aan Michel: „Waarom blijf je niet langer? Je bent zo goed voor ons.” Dat kan niet, zegt Chris. Hij gaat over een paar weken weer naar huis, naar zijn kinderen in Nederland.

Via het ziekenhuis gaan Chris en zijn mannen naar de politie. Een jaar geleden verlieten die en masse hun posten. Om te helpen bij de papaveroogst. De Talibaan namen die posten over. Het werden hun stellingen voor de slag om Chora.

Met Nederlands geld is het politiehoofdkwartier hersteld. Het oogt fris, met een verse laag verf. Op de ruime binnenplaats staat een waterpomp. Er is een betonnen vloer buiten. Het lichaam van een man wijst als de naald van een kompas, niet naar het noorden, maar naar Mekka. Een plek om te bidden. Daar hebben de Nederlanders ook aan gedacht. Chris: „We hebben dit hier voor veel geld gemaakt, maar nu wil de politie het weer platgooien en een nieuwe bouwen. Eentje die hoger en groter is.”

Chris zucht. Dit bedoelt hij nou, met dat wat hij op de weg naar Chora vertelde. Dat hij soms zo moe wordt van de Afghanen, van hun opportunisme, hun ondoorgrondelijke logica, hun inefficiëntie. Chris zei toen: „Ze zijn nooit eens dankbaar, de Afghanen. Geef je ze een deken, dan willen ze er twee. Geef je kinderen twee pennen, dan willen ze er drie. En nooit eens een bedankje. Ik word nooit verrast door een Afghaan die zelf iets heeft geregeld. Je wordt hier leeggezogen. Dat kost veel energie. Ik heb er soms gemengde gevoelens bij.”

Nog zoiets: de politieauto’s. Minder dan een jaar geleden reden er nog vijf rond door de vallei. Betaald met westers geld.

Naast het bureau ligt nu het politieautokerkhof.

Drie hoopjes schroot. Op de groene portieren staan Arabische letters. Politie. De auto’s zijn total loss. Minder dan 10.000 kilometer op de teller. Michel: „Zij rijden als gekken.” De politie wil nu nieuwe auto’s. Ze hebben de Nederlandse militairen gevraagd dat te regelen. En ook om ze te betalen.

De Nederlanders werken samen met de Australiërs, zoals bij de bouw van een school bij de twee Barakzai-stammen in de Chora-vallei. Het project kost 180.000 euro. Nederland betaalt 60.000. Het is een „gemengde school”, zegt de Australische luitenant Damien. Dat zie je niet vaak in Uruzgan, waar vrouwen weinig te zeggen hebben. Damien en Chris willen snel een kijkje nemen bij de school in aanbouw, want het gaat er mis: de ene Barakzai besloot twee dagen eerder op de andere Barakzai-stam te schieten, midden op de bouwplaats. Bij aankomst valt Chris uit tegen de twee Barakzai’s. „Als er wordt gevochten, komt er geen school. Hebben jullie dat begrepen? Dus geen wapens op de constructieplaats.” De Afghanen knikken.

Op de bouwplaats zijn een stuk of honderd Afghanen aan het werk. De fundering is gelegd, de muurtjes staan er. „Met het werk dat we hier uitbesteden geven we een impuls aan de lokale bouweconomie.”

Dan blijkt de school minder gemengd dan gedacht. Damien: „Met gemengd bedoel ik dat twee stammen samen een school bouwen. Voor jongens.”

Lang niet overal vragen de Afghanen om hulp. Zoals in ‘Awi-hoog’ en ‘Awi-laag’. Zo genoemd door de Nederlanders. Eerst heette de dorpjes Awi-1 en Awi-2. Maar daarmee werd hun ligging niet goed aangegeven.

Een paar dagen later gaan Chris en Inge op bezoek in de Awi’s. Vijftien kilometer rijden van Ali-Shirzai. Ze zullen er moeten slapen in de buitenlucht. Michel blijft thuis. Achter de laptop. „Awi, daar ga ik niet meer naar toe. Ik ben er nu drie keer geweest. Telkens vragen wij de inwoners daar of ze iets nodig hebben, of wij een project voor ze kunnen opstellen. Maar ze willen niks.” Volgens Michel is er al veel in Awi. Het is er schoon. De wegen zijn goed. De bevolking is er gelukkig.

Nog voordat Chris en Inge naar Awi gaan, twee dagen eerder, gaan ze langs bij het World Food Program, een van de twee non-gouvernementele organisaties in Chora. Mohammed Hanif leidt het WFP. Alle militairen worden uitgenodigd voor de lunch, ook de infanteristen. Vette kip met rijst en brood. Eten zittend op de grond en met de handen. En thee, liters thee. Dan zegt Hanif: „Voor de slag om Chora was er geen veiligheid. De slag heeft ons geholpen. Wij zijn jullie zeer dankbaar.”

Hanif heeft een probleem. Het gaat over de zakken meel die hij uitdeelt aan de Afghaanse bevolking, in ruil voor hun arbeid. USAID staat er op de meelzakken. En de Amerikaanse vlag. Afghanen met zo’n zak op hun rug zijn nu al een aantal keer vermoord door de Talibaan. Voor straf.

Terug in Ali-Shirzai, in het bewaakte witte gebouw, maken de militairen een groot vuur in een oud olievat. Mannen staren in de metershoge vlammen. Blik op oneindig. Ze praten over de Talibaan. Die worden steeds professioneler. Strijders komen minder vaak uit Uruzgan zelf, maar vaker uit Pakistan, Tsjetsjenië en Bosnië. „Het zijn kleine groepjes”, zegt soldaat John, „en ze duiken ineens op”. Laatst nog, zegt hij, vorige week, in de Baluchi-vallei. Ze werden bijna geraakt door twee 107-mm raketten.

John praat verder over de bevolking. Die zouden de Talibaan toch ook tegen kunnen houden? „Het zou ons zoveel werk schelen als de Afghaanse bevolking een blok zou vormen tegen de Talibaan”, zegt hij. Maar dat doen ze niet.

Opportunisme is de overlevingsstrategie van de Afghanen. Dat doet dertig jaar oorlog.

Chris komt ’s avonds terug van zijn etentje met de Afghanen. Hij wil iets vertellen over dat opportunisme. „Een van de lokale stammenleiders, Mohammed Loyla, gaat naar Pakistan. Hij onderhoudt daar contacten met de Talibaan. Vier maanden geleden nog. Onze inlichtingendienst weet dat gewoon. Als ik het hem vraag ontkent hij.” Weer een ander stamhoofd krijgt betaald om de Talibaan door te laten. „Dan komen wij op bezoek, en dan zijn ze ineens heel vriendelijk tegen ons.”

Een bezoek aan politiepost Niazy staat voor de volgende dag op het programma. Dat ligt vlakbij de Baluchi-vallei. Militairen duiden dat gebied aan als ‘semi-permissive’, half toegankelijk. Dat klinkt als ‘een beetje zwanger’.

Politieman Fathe Mohammed heeft diepe groeven in zijn gezicht. Ouderdom en de scherpe zon. Hij schrikt wakker uit zijn slaap. Mohammed vertolkt wat ‘semi-permissive’ in de praktijk betekent. Mohammed wijst naar de lemen huizen in de vallei beneden. „Daar zitten ze. Vijftien Talibaan-strijders. Vanochtend de vallei ingekomen.”

Dit stuk is voor publicatie gelezen door het ministerie van Defensie op informatie die de militairen in gevaar zou kunnen brengen.
    • Jaus Müller