Tussen en fundamentalisten loverboys

Burgerschap in de stad is een probleem. Moslims verwijten we te weinig vrijheid, Antillianen te veel.

Foto Walter Herfst Rotterdam maart 2008 Eerste generatie vrouwelijke turkse immigranten. Foto: Walter Herfst Herfst, Walter

Willem Schinkel

Socioloog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Auteur van ‘Denken in een tijd van sociale hypochondrie. Aanzet tot een theorie voorbij de maatschappij’

‘Stadtluft macht frei’ – jazeker, maar niet te vrij? Dat is altijd de vraag geweest in de debatten rond de overgang van een agrarische naar een industriële maatschappij. Ooit was de stad de plaats waar je relatief onafhankelijk van de feodale rangorde kon leven. Vandaar dat de bourgeoisie de bewoners van de bourg waren, de burcht. Zo komen ook de citoyen en de citizen uit de cité of de city. De burcht was een toevluchtsoord waar een burger bourgeois kon zijn: een ‘self-made man’ die vrij gelaten werd om zijn eigen belang na te streven. De vrije burger wordt een ideaalbeeld van de mens in de vroegmoderne tijd, en de Revolutionaire ‘Déclaration des droits de l’homme et du citoyen’ (1789) geeft effectief de burger meer rechten dan de mens.

Maar de stad wordt niet alleen gezien als plaats van politieke en economische vrijheid. Ze is ook een vrijplaats voor allerhande immorele uitingen en gedragingen. De stad is ook een plaats waar men te vrij kan zijn. Het losgeslagen zijn van de morele orde vond met name in de stad plaats. De kritiek op de decadente stadsmens was zijn moreel individualisme, zijn gebrek aan discipline en matiging, zijn nihilistisch baden in luxe en niet te vergeten zijn seksuele vrijheid.

Zo was en is de stad een bedreiging voor de moraal. Maar het is interessant te zien dat daarbij tegenwoordig niet, zoals honderd jaar geleden nog gebeurde, een teveel aan decadentie wordt geconstateerd, maar eerder een gebrek aan burgerschap.

Van degenen die zo vrij zijn dat ze zich aan de morele orde onttrekken, wordt nu gezegd dat ze gebrekkig burgerschap vertonen. Daarom zijn de pleidooien voor burgerschap pleidooien voor de ‘moraal’, ofwel ‘beschavingsoffensieven’.

Tussen haakjes: dat zou in feite ook betekenen dat de goede burgers bij wie niet een gebrek aan burgerschap geconstateerd wordt, niet geheel vrij zijn, althans niet zo vrij dat ze nog geciviliseerd dienen te worden. Maar die conclusie wordt natuurlijk niet getrokken.

Tegenwoordig zien we ten aanzien van burgerschap en de seksuele vrijheden die ooit als decadentie te boek stonden, twee dingen. Er is een groep mensen van wie gezegd wordt dat ze gebrekkig burgerschap vertonen en bij wie een tekort aan seksuele vrijheid geconstateerd wordt. Daarnaast is er een groep waarbij een teveel aan seksuele vrijheid geconstateerd wordt. Het eerste is uitzonderlijk en vindt plaats bij ‘moslims’. Het tweede is minder uitzonderlijk en vindt plaats bij ‘zwarten’.

Gebrekkige burgers, want een tekort aan vrijheid

Ten aanzien van Nederlandse moslims zien we een omkering van het traditionele probleem van de vrije stad. Niet de vrijheid van de burger is het probleem, maar juist de onvrijheid van de gebrekkige burger.

De gebrekkige burger kent geen seksuele vrijheid en geen vrijheid van meningsuiting. Die onvrijheid proberen we weg te nemen door van die gebrekkige burgers echte burgers, goede of ‘actieve’ burgers te maken. En dat doen we door ze al die dingen te laten accepteren die nog geen vijftig jaar terug de verdorven tekenen van een te vrije stad waren: homoseksualiteit, een vrije seksuele moraal, pornografie, gebrek aan religiositeit en individualisme.

Sinds ‘integratie’ in 1994 is gelijkgesteld aan ‘burgerschap’ is gebrekkig burgerschap vooral aangetroffen bij niet-geïntegreerden, met name bij moslims. Integratie, ofwel burgerschap, betekent dan aangepast zijn aan ‘onze’ waarden van secularisme en individualisme. Morele aanpassing is het devies, en het is slikken of stikken – of nee: het is ‘spuiten en slikken’.

De kritiek op de ‘decadentie’ van de stad is verdwenen en wat decadentie heette, is beschavingsmiddel geworden. Dat is waarom het grotestedenbeleid (dat zich met ‘integratie’ en daarom met ‘burgerschap’ bezig houdt) niet gericht is op het uitbannen van decadente excessen van vrije burgers, maar op het creëren van vrije burgers door middel van een beschaving tot decadentie.

Het immorele is dus het onvrije in tegenstelling tot het al te vrije. Daarmee vindt een beleidsimplementatie plaats van Immanuel Kants denken over de moraal: alleen wie autonoom handelt, handelt conform de zedelijke wet, en wie daartegen zondigt, is per definitie geen autonoom persoon. Door de stedelijke bedreiging van de moraal niet langer als vrijheid, maar als onvrijheid op te vatten, wordt een listige mogelijkheid gewonnen: nu kan binding aan de heersende moraal gezien worden als ultieme vrijheid.

Zo kunnen seksuele vrijheden tegen religieuze vrijheden in stelling gebracht worden, zelfs zozeer dat de Amerikaanse filosofe en feministe Judith Butler zich, specifiek met betrekking tot deze Nederlandse situatie, kon afvragen op welke manier het mogelijk is een politiek vorm te geven die zich zowel uit naam van seksuele vrijheden als uit naam van religieuze vrijheden tegen overheidsdwang keert. Butler constateert terecht dat in Nederland „de verdediging van de vrijheid om zich te uiten, en in het bijzonder van de vrijheid om zich seksueel te uiten, is ingezet om een standpunt over beschaving te verbreiden dat duidelijk gericht is op culturele zuivering, om immigratie van islamitische minderheden tegen te gaan of te ontmoedigen.”

Wanneer een van de meest revolutionaire feministische denkers van het moment dit constateert, moeten we ons afvragen of we nog wel neutraal, met het oog van een buitenstaander, naar onze eigen vooronderstellingen kunnen kijken. In Nederland is de laatste jaren een culturisme dominant geworden, een culturele variant van racisme, dat normatieve onderscheidingen maakt tussen mensen op grond van een cultureel criterium.

Wanneer moslims beledigen, is sprake van homofobie en aanzetten tot haat; wanneer moslims beledigd worden, spreekt de vrijheid van meningsuiting. En de vrijheid van meningsuiting doet alles wat gezegd wordt als neutraal verschijnen, als verlicht, want verbonden met de vrijheid. En waar de emancipatie van ‘Nederlandse’ vrouwen voltooid was, werd die van ‘moslims’ geproblematiseerd. Het ging erom, zoals een toenmalig Rotterdams wethouder in 2005 zei, de vrouwen in de ‘catacomben van de stad’ te bereiken (en de wethouder vergat daarbij dat catacomben van oudsher burgers beschermen tegen de willekeur van de macht). Wanneer ‘moslims’ in de grote steden tegenwoordig dus ‘actieve burgers’ moeten worden en moeten ‘participeren’, betekent dat dat ze er het liefst een vrijere seksuele moraal op na houden.

Gebrekkige burgers, want een teveel aan vrijheid

Dat is één kant van het verhaal. De andere kant gaat over een heel andere categorie problematische burgers, te weten ‘Antillianen’ of soms ook wel ‘Kaapverdianen’. Zij maken duidelijk dat juist de individuele vrijheid die moslims tot echte burgers moet maken, blijft rondspoken langs de grenzen van de moraal. Want bij deze ‘zwarte’ bevolkingsgroepen, wordt een ander stereotype actief. Waar moslims vrouwenonderdrukkers zijn die er een bekrompen seksuele moraal op na houden, zijn bijvoorbeeld ‘Antillianen’ te seksueel ongeremd. Waar moslims oude oriëntalistische vooroordelen ten deel vallen, worden Antillianen conform het oude stereotiepe beeld van de oversekste ‘zwarte’ gezien. Waar de eerste groep seksueel bevrijd dient te worden, is de tweede te zeer seksueel bevrijd, te ongeremd, te ongemanierd. Zij krijgen immers te vroeg kinderen, zijn daarom te vaak alleenstaand moeder, en het alleenstaande-moeder-zijn wordt als probleem op zich gezien. De mannen onder hen kunnen geen relatie vasthouden en kennen geen liefde. Ze verwekken bij meerdere vrouwen kinderen en de kinderen die zonder deze vaders opgroeien worden, juist zonder het voorbeeld van hun vader, precies zoals hun vader. Dat betekent een gerede bedreiging voor de moraal en die bedreiging begint bij de seksuele ongeremdheid die deze groepen kenmerkt.

Hiermee verdwijnt de oude kritiek op de individuele en al te decadente vrijheid niet. De individuele vrijheid die teken van integratie en burgerschap is, blijft een potentiële bron van decadentie, van ‘loverboys’ en ‘bitches’ in een setting van ‘bling bling’. Maar omdat de hedendaagse moraalridders juist de individuele en seculiere seksuele vrijheid verkopen als ultieme vorm van integratie, is daar nog maar een weinig overtuigend verhaal tegenin te brengen.

Zo is in het geval van ‘moslims’ op de eerste plaats de vrijheid die benadrukt wordt, terwijl het bij ‘zwarte inactieve burgers’ verantwoordelijkheid is die centraal staat. Die twee kanten van dezelfde medaille worden zo selectief bij de twee grootste probleemgroepen van de stad ingezet om een seksualiteit te normaliseren die enerzijds decadent genoeg is om divers, vrij en zichtbaar te zijn, maar die anderzijds uniform, gereguleerd en huiselijk is.

Dat is eenzelfde ironische paradox als de kritiek van een minister op de ‘pornificatie’ van de openbare ruimte, terwijl de werkelijke hedendaagse openbare ruimte, de (publieke) media, een pornofilm vertonen. Beleidsmatig is de paradox van de seksuele moraal in de stad alleen op te lossen door in het ene geval vooral een gebrek aan vrijheid te constateren en in het andere geval een gebrek aan verantwoordelijkheid.

De ideologie van vrijheid en verantwoordelijkheid

In dit moeras van de morele vrijheden moeten we het perspectief verbreden van moraal en politiek naar economie. Wij kunnen nog slechts een ooit decadente individuele vrijheid promoten als essentieel voor onze ‘dominante cultuur’ terwijl we anderzijds niets substantieels in te brengen hebben tegen een ongereguleerde seksualiteit, omdat de enige ideologie die ons nog rest de neoliberale ideologie is. En dat is een inhoudelijk lege huls, die alleen ondernemingsvrijheid, belastingvrijheid en keuzevrijheid behelst. Individuele vrijheid is daarmee gereduceerd tot de keuze tussen deze of die verzekering, tussen vakantie naar Turkije of naar Thailand. De morele kant van dezelfde medaille is de holle frase van de ‘eigen’ of ‘individuele verantwoordelijkheid’.

Ons is geleerd individuele vrijheid te tonen en rationeel te calculeren. Het moreel tekort dat daarin aanwezig is, wordt gecompenseerd door een lege moralisering rond ‘normen en waarden’ en een ‘eigen verantwoordelijkheid’. Maar omdat daar geen verhaal meer achter zit en we daar dus allang niet meer intrappen, worden de beschavingsoffensieven gericht op die groepen die ‘niet geïntegreerd’ zijn, die ‘buiten de samenleving’ staan. Zo kunnen we er vanuit gaan dat ‘de samenleving’ geen moreel tekort heeft. Dat de samenleving net als in Kants bürgerliche Gesellschaft bestaat uit vrije mensen die ‘echte burgers’ zijn en dat iedereen op wie het grotesteden- en integratiebeleid van toepassing is, buiten de samenleving staat, omdat hij of zij noch tot vrijheid noch tot verantwoordelijkheid gemoraliseerd is.

Waar ooit het gebrek aan religiositeit een teveel aan vrijheid betekende, betekent nu dus een teveel aan religiositeit een gebrek aan vrijheid. En als tegenwoordig de ‘vrijheid van meningsuiting’ zo vaak van stal gehaald wordt om uitingen te verdedigen die eerder vormen van decadentie waren, is dat omdat het enige wat nog werkelijk universeel is, niet de vrijheid is, maar het hebben van een mening is.

Zowel ‘vrijheid’ als ‘eigen verantwoordelijkheid’, die selectief inzetbare symbolen om gebrekkige stadsburgers te identificeren, zijn kernelementen van een diffuus neoliberaal gedachtegoed. De problemen die dat denken produceert – de mensen die de Franse socioloog Wacquant de ‘parias urbains’ noemt – komen uiteindelijk in de grote steden samen. Precies daarom worden de vrijheid en de verantwoordelijkheid nergens zo sterk gethematiseerd als bij de twee typen ‘gebrekkige burgers’ die tegenwoordig als het meest bedreigend ervaren worden. De vrijheidsbedreigende radicalen en de al te vrije loverboys staan tegenover de neoliberale bourgeois, de ‘actieve burgers’. Stadslucht maakt vrij? Nee, alleen in de stad die zowel van een gebrek als een overschot aan vrijheid gezuiverd is, leeft de echte burger. De stad is weer, of misschien nog altijd, een burcht.

    • Willem Schinkel