Tsjetsjenië is Sovjet-leider nog dankbaar

De naam van wijlen Sovjet-leider Nikita Sergejevitsj Chroesjtsjov – gestorven in 1971 – wordt in Rusland al heel lang nergens meer genoemd. Er is één uitzondering: Tsjetsjenië. Daar is hij een held, die binnenkort in de hoofdstad een standbeeld krijgt.

Chroesjtsjov werd partijleider van de Sovjet-Unie kort na de dood van Stalin in 1953. In 1958 werd hij ook premier. In 1964 werd hij door Leonid Brezjnev en diens medestanders ten val gebracht. Sindsdien was zijn naam in de Sovjet-Unie taboe.

Maar de Tsjetsjenen zijn één bijzonderheid nooit vergeten: het was Chroesjtsjov die een eind maakte aan de ballingschap waartoe ze in 1944 collectief door Stalin waren veroordeeld.

Op 23 februari 1944 werden 480.000 Tsjetsjenen en Ingoesjen – vrijwel de hele bevolking van Tsjetsjenië – gedeporteerd omdat ze volgens Stalin met de Duitsers hadden gecollaboreerd.

Ze werden binnen enkele uren in veewagens geladen en naar Kazachstan en delen van Siberië gedeporteerd en daar vaak pardoes midden in de steppe uitgeladen en aan hun lot overgelaten. Twintig procent van de gedeporteerden stierf onderweg.

In 1957 was het Chroesjtsjov die de Tsjetsjenen toestemming gaf uit hun verre ballingsoorden naar hun vaderland terug te keren, hetgeen overigens tot veel geweld leidde, omdat hun huizen, de huizen van ‘verraders’, door anderen werden bewoond. De Tsjetsjenen zijn het initiatief van Chroesjtsjov nooit vergeten. Zonder hem zouden ze verstrooid zijn geraakt over Kazachstan en Siberië.

Deze zomer komt er in de stad een standbeeld van Chroesjtsjov. Het wordt vervaardigd op last van president Ramzan Kadyrov, wiens vader, wijlen president Achmat Kadyrov, net als bijna al zijn Tsjetsjeense leeftijdgenoten, in Kazachstan is geboren, tijdens de ballingschap waaraan Nikita Chroetsjtsjov een eind maakte.