Toneelstukken van Ethan Coen vol hints naar films

Met Almost An Evening ontpopt Ethan Coen zich nu ook als theatermaker. Het absurdisme uit de films van de Coen Brothers is er, maar de scènes zijn erg kort en de dialogen basaal.

Foto Reuters Directors Ethan (L) and Joel Coen pose backstage after winning an Oscar for best director and best adapted screenplay at the 80th annual Academy Awards in Hollywood, February 24, 2008. REUTERS/Mike Blake (UNITED STATES-OSCARS) REUTERS

De een doorzeeft een naakte man met overgewicht, een cowboyhoed en een Texaans accent in een sauna met kogels. Een ander houdt een roddelblad omhoog met op de cover de breed glimlachende acteur George Clooney.

Kon filmmaker Ethan Coen, wiens toneelstuk Almost An Evening momenteel te zien is in een klein New Yorks theater, duidelijker verwijzen naar eerder werk? Nauwelijks. De vorige maand bekroonde film No Country For Old Men van de fameuze Coen-broers (Ethan is de jongste van de twee) zit vol schietpartijen en Texanen; Clooney verscheen reeds drie keer in hun films.

Samen regisseerden, produceerden en monteerden de twee broers dertien films, maar nu had Ethan zin in iets anders. Hij schreef een triptiek van korte absurdistische toneelstukken, samen tachtig minuten lang. Nog voor de eerste try-out werd gespeeld, was de hele reeks uitverkocht.

„Ik heb dit nog niet eerder in mijn eentje geprobeerd”, zegt Coen in The New York Times. „Je wilt toch gewoon zien of je het kunt.” Met eenzelfde bescheidenheid probeert het toneelgezelschap, Atlantic Theater Company, de verwachtingen te temperen. „Zonder enig succes drie stukken worstelen met belangrijke vragen over het leven”, staat er in de aankondiging. „Veel wordt er niet geleerd.”

Toen het theater de zaal nodig had voor een eerder geplande productie, kwam de opeenvolging van uitverkochte zalen ten einde. Een ander podium werd gevonden, vorige week begon de tweede reeks. Het evenzo eenvoudige theater is van het zogeheten off-Broadway-soort, maar de productie is desondanks omgeven met Hollywood-achtige pretenties.

Zo wil het gezelschap geen interviews geven of fotomateriaal verschaffen, en acht de hiervoor ingehuurde persvoorlichter Joe Perrotta het „alarmerend” en „onprofessioneel” dat deze krant een voorstelling heeft bijgewoond „voordat de pers officieel welkom is”. Niettegenstaande het feit dat de voorstelling al een kleine dertig keer is opgevoerd en andere recensenten de eerste reeks voorstellingen al bijwoonden.

De verwijzingen zijn talrijk. Het fysieke geweld op het toneel herinnert aan No Country For Old Men; scènes uit het dagelijkse, pijnlijke leven doen denken aan Fargo; kwinkslagen herinneren aan Intolerable Cruelty. Het vermakelijkst worden de stukken wanneer de confrontatie wordt aangegaan. In het derde stuk Debate bijvoorbeeld, moet een scheldgrage ‘God Who Judges’ in een debat om de gunst van het publiek strijden met de zoetgevooisde ‘God Who Loves’. Die laatste wordt gespeeld door Mark Linn-Baker, bij een hele generatie beter bekend als Larry uit de tv-serie Perfect Strangers uit de jaren tachtig. Natuurlijk eindigt de woordenwisseling ermee dat de goden met elkaar op de vuist gaan en dat de aangename god zijn agressieve concurrent doodschiet.

Met uitzondering van dit deel van het drieluik zijn de dialogen kaal, droog en basaal. Ze laten misschien ruimte voor gelach vanuit de zaal, maar met taal alleen redt Coens werk het niet. Neem het eerste stuk, Waiting, dat doet denken aan Sartres Huis Clos. Een man zit in een wachtkamer, hij wacht. Hij krijgt te horen dat hij jaren daar moet blijven (met alleen het Clooney-tijdschrift tot zijn beschikking), neemt aan dat hij dood is en ooit, uiteindelijk, de hemel zal mogen betreden. Daarna volgt bureaucratische onduidelijkheid en honderden, nee, duizenden, jaren om uit te zitten. Voor wie het niet zag aankomen: de man blijkt al in de hel te zijn.

De stukken, elk niet veel langer dan twintig minuten, zijn opgebouwd uit verschillende scènes waarin telkens andere acteurs in een telkens andere setting op het toneel verschijnen. De kortste scènes duren nog geen tien seconden. Dat werkt misschien in een snel gesneden film, maar op het toneel is het verwarrend om meer van de in het zwart geklede toneelknechten te zien die tafels en stoelen verplaatsen dan van de acteurs zelf.

Hoe dan ook, zo zei Ethan Coen er zelf over, „mijn broer leek het wel leuk te vinden”.