Steeds minder een gedeelde ervaring

In de 21ste eeuw kan iemand wonen waar hij wil. Maar die ruimtelijke bevrijding leidt er wel toe dat de eigen stad steeds minder zijn inwoners bij elkaar brengt.

Wout Schram – Vrouw voor het raam Collectie Scheringa Museum voor Realisme

Jan-Hendrik Bakker

Filosoof en literair journalist. Recent verscheen van hem ‘Welkom in Megapolis. Denken over wonen, stad en toekomst’.

De jonge immigrant was nog maar nauwelijks aan wal of hij wilde weten waar the center of things was. Dát was zijn eerste zorg: te zijn waar je in het New York van mid jaren twintig moest zijn. In Dos Passos’ roman over New York, Manhattan Transfer (1925), waarin de jonge immigrant figureert, weerklinkt de magische opwinding dat het middelpunt van de stad de essentie van het leven is. Wie de Roaring Twenties in Europa aan den lijve wilde ervaren, zocht zijn toevlucht vooral in Berlijn – toen ook een place to be. Anno 2008 zijn de centra van de metropolen in cultureel opzicht nog steeds niet te versmaden, met de grote theaters, musea, concertzalen en bibliotheken.

Let wel: in cultureel opzicht.

Kijk dichterbij huis en zie Rotterdam met het beeld van Zadkine, De verwoeste stad. De rouwende mannenfiguur van wie de armen in smart en ontzetting ten hemel zijn geheven. In zijn borstkas bevindt zich een groot gat, symbool voor het bombardement van 1940 waarbij het stadshart volledig werd weggevaagd.

Die vreselijke gebeurtenis is voor Nederlandse begrippen uitzonderlijk geweest, maar wat in Rotterdam na de Tweede Wereldoorlog op stedelijk niveau gebeurde, heeft, in extreme vorm, model gestaan voor wat ook elders met grote steden is gebeurd: centra verliezen overal in de metropolen hun oude functie. ‘Rotterdam’ staat voor een universeel verhaal, hoe wij, 21ste-eeuwers, steeds meer in een centrumloze wereld zijn komen te wonen. We zijn losgekomen van één plaats, we kunnen wonen waar we willen. Maar die ruimtelijke bevrijding gaat wel ten koste van identiteit en gemeenschap, want de eigen stad wordt steeds minder een gedeelde ervaring, en onze nieuwe vrijheid kannibaliseert land en natuur.

Hoewel stedelijke centra dagelijks grote menigten trekken, zetten de sfeer en uitstraling van die steden minder en minder een stempel op ons. Hun bijdrage aan ons levensverhaal neemt af. Een nieuw soort stedelingen is in ontwikkeling: de cityhopper en de tussenstedeling. Miljoenen mensen komen soms maandenlang niet meer in ‘de stad’. Ze wonen en werken in de perifere gordels van nieuwbouw, bezoeken in de weekeinden grote malls en meubelboulevards, ook ver buiten de eigenlijke steden. De stad als attractiepark, een alternatief voor Avifauna of Snowworld. Daarnaast maakt het culturele stadstoerisme het mogelijk een eigen urbaan menu samen te stellen uit Berlijn, Antwerpen, Amsterdam, Parijs, Barcelona, New York of Casablanca. Zo’n keuzepakket onderscheidt stedelingen van elkaar, zelfs al zijn ze buren. We zijn allang niet meer één met de stad waar we wonen.

Kijken we naar het Rotterdam van de 21ste eeuw, dan zien we het volgende. Nadat de Rotterdamse bevolking vanaf de jaren vijftig in buitenwijken werd gehuisvest, waar nieuwbouw uit de drassige ommelanden verrees, zijn de laatste decennia de gaten in het centrum gevuld. Vanuit de naoorlogse buitenwijken, voorsteden en Vinexlocaties trekt de bevolking nu in de weekeinden naar de stad. Paradoxaal ten opzichte van de imposante wolkenkrabbers die de skyline van Rotterdam zijn gaan beheersen, beleeft de burgerij de stad nu ondergronds, geconcentreerd in een sleuf, diep verzonken onder het maaiveld; daar bevindt zich de kransslagader van het winkelgebied. Vanuit deze ‘Koopgoot’, zoals Rotterdammers het project in 1996 al meteen doopten, ondergaat de consument een totaalervaring op winkelgebied. De winkels zijn er onder handbereik, en vanuit het ondergrondse kom je bovendien makkelijk in de aangrenzende grote warenhuizen. Zonder ook maar iets van de rest van het centrum te zien kun je de stad ook weer verlaten, ondergronds via de metro of bovengronds via de ringwegen.

Stadscentra zijn de laatste vijftig jaar drastisch veranderd. In veel gevallen zijn de middengroepen weggetrokken. Oude wijken werden gesloopt om brede uitvalswegen aan te leggen ter ontsluiting van de stad – nodig voor de auto. Ook de historische binnensteden kwamen onder druk te staan. Ruim baan voor de vooruitgang! De architect en stedenbouwkundige Le Corbusier had zich voor de Tweede Wereldoorlog al een voorstander van radicale saneringen betoond. In Nederland culmineerde in de jaren zeventig de opruimwoede in de rellen rond de aanleg van de metro in Amsterdam. Daarna kwam de inkeer; we realiseerden ons dat het historisch weefsel van grote steden waarde heeft voor onze identiteit, hoe complex en flexibel die ook geworden mag zijn. Inmiddels zijn we een halve eeuw verder en is de wereld postmodern. Dat wil zeggen: we hebben geen vaste horizon meer, we kunnen ons nog maar moeilijk beroepen op traditie en we zijn niet meer geworteld aan een ‘thuis’. De werkende mens is in grote meerderheid forens, en we reizen de halve wereld over. Het verlies van de centrale autoriteit is overal zichtbaar. We bepalen zelf wel welke boeken we lezen en welke films we zien, achter welke politici we aanlopen of wat we belangrijk vinden in de geschiedenis. Het onderscheid tussen elite en massa bestaat niet meer, de vergaande individualisering heeft dat achterhaald. Maar nergens is het verlies van het centrum zo plastisch zichtbaar geworden als in de ontwikkeling van de steden.

In zijn trilogie Sferen gebruikt de Duitse filosoof Peter Sloterdijk het beeld van het schuim. Sloterdijk behoort tot de hedendaagse denkers die keer op keer benadrukken dat de plaats waar wij leven en de snelheid waarmee wij ons verplaatsen van moeilijk te overschatten betekenis zijn voor ons zelfbeeld. Wáár wij zijn is voor deze denkers een fundamentelere vraag dan wíé wij zijn. Sloterdijk richt het vizier op de moderne, stedelijke wereld. In zijn trilogie analyseert hij de ontwikkelingen aan de hand van bolvormige metaforen. Vanuit besloten, omvattende sferen — vergelijk de ommuurde stad van de vroege Middeleeuwen — heeft de mensheid in de 17de en 18de eeuw de aardbol veroverd. De globalisering mondt uit in een nieuwe metafoor: schuim. In onduidelijke samenhangen – al naar gelang de belletjes samenklitten — heeft de mensheid zich nu verspreid.

Dat beeld komt wonderwel overeen met de hedendaagse stedenbouw. Die verspreidt zich ook als schuim over de aardbol, zonder centrale organisatie maar in losse, netwerkachtige verbanden met Los Angeles als bekendste voorbeeld, een bijna eindeloos uitdijende stad zonder duidelijk ‘hart’. We wonen niet meer in ommuurde steden, maar in ‘stedelijke velden’, zoals sociologen het noemen. Dankzij de auto blijven we ook contact houden met alle gemakken van een stedelijke wereld. De sprawl-bebouwing langs snelwegen doet ook aan schuim denken. Toekomstscenario’s waarin lintachtige clusters van metropolen zullen ontstaan – te denken valt aan megapolitische uitdijingen als Boston, Washington, New York of de Randstad met Antwerpen en Brussel – passen het beeld in het groot toe. Ook socioloog Manuel Castells notie van ‘netwerksamenleving’ met zijn ‘flow of spaces’ heeft schuimachtige karaktertrekken. Kern van de vergelijking is steeds de centrumloosheid – althans in de oude zin des woords.

Want, zoals gezegd, in cultureel opzicht zijn de centra van de metropolen nog steeds het middelpunt van de stad. En komen ook bezoekers van de Koopgoot naar the ‘center of things’. Maar, en dat is het essentiële verschil met eind vorige/begin deze eeuw, dan vooral in consumptief opzicht. De vernieuwde Rotterdamse city belooft hun een winkelervaring met een enorme variëteit in aanbod en horeca. Die variëteit is een klassieke moderne ervaring: de kracht van stedelijkheid schuilt in pluriformiteit en dichtheid. Walter Benjamin beschreef voor de Tweede Wereldoorlog in zijn postuum uitgekomen Das Passagenwerk in die termen ook al de Parijse passages, winkelcatacomben waarvan de Koopgoot op een drukke zaterdag of zondag een hedendaagse variant lijkt te zijn. De stad is een hooggeconcentreerde collage van koopwaar, waar alles naast elkaar, spijkerbroeken naast sieraden, elektronica naast schoonheidsmiddelen, te koop wordt aangeboden. Waar mensen van buiten echter niet meer voor komen is de gestoomde makreel. De dagelijkse boodschappen zijn naar de periferie verdrongen. Men komt om iets exclusiefs aan te schaffen (kleding, kunst, boeken, sieraden), we kopen onze identiteit bij elkaar en gaan dan weer weg; niet het wonen, maar het kopen telt. En zo is het ook ’s avonds als we theaters en restaurants bezoeken.

De grootstedelijke ervaring is voor de meerderheid van ons – de middenklasse – een externe ervaring geworden. Footloose geraakt, ervaren we de identiteit van een stad niet meer van binnenuit, maar ze wordt ons eens in de zoveel tijd van buitenaf gepresenteerd door citymarketeers met hun evenementen. Voorts is wat steden te vertellen hebben niet meer eenduidig. Mensen zoeken hun eigen verhaal, wat zichtbaar is in het geval van de cityhoppers. We boeken reisjes naar Berlijn, New York of Barcelona om ons tijdelijk in die stadsverhalen, ontstaan uit een uniek samenspel tussen plaats en geschiedenis, onder te dompelen. Zo zappen we onze voorkeuren bij elkaar en gaan dan weer terug naar Zoetermeer, Capelle of Almere. Die onthechte woonstijl heeft consequenties gehad voor de ervaring van de stedelijke openbaarheid, een fenomeen dat kostbaarder is dan we ons doorgaans realiseren. Ze is de drager van de moderne democratie.

Stedelijke openbaarheid is namelijk het samenzijn van volstrekt willekeurige mensen, maar toch in een zekere samenhang en op bepaalde plaatsen. Ze is de tegenhanger van de dorpse samenleving, waar privé en openbaar vrijwel samenvallen. Deze stedelijke verdraagzaamheid is een losse vorm van gemeenschap die het privéleven ongemoeid laat. Juist omdat we de privéovertuigingen en leefwijzen niet op hoeven te geven, kunnen we die van andere verdragen, en vice versa. Drukke straten, pleinen, grote stadsparken zijn van oudsher de dragers van deze openbaarheid. Grote stadsdenkers als de filosoof Walter Benjamin, de publicist en activist Jane Jacobs en Richard Sennett – auteur van het bekende The Fall of public man – hebben met liefde geschreven over deze vorm van samenzijn.

De openbaarheid werd geboren uit plaatselijke omstandigheden, waar grote gemêleerde massa’s moesten samenleven. Het Midden-Europese koffiehuis bijvoorbeeld werd een ontmoetingsplaats bij uitstek van schrijvers, politici en filosofen, en zo een culturele broedplaats. De grote stadskranten, die stevig wortelden in de plaatselijke openbaarheid, werden fora waaruit de publieke opinie werd geboren.

Maar zoals gezegd, ze was allereerst gebonden aan pláátsen, aan knooppunten van tijd en architectuur. Op deze fysiek unieke locaties kon je de samenleving ervaren op afstand, maar ook vanuit een zekere betrokkenheid omdat het je eigen stad betrof waar je woonde en werkte; zo was ze een publieke zaak. Terwijl de stedelijke ruimte, zoals diverse sociologen hebben opgemerkt, nu steeds meer privatiseert – onveiligheid en afname van diversiteit in bevolking zijn onder meer oorzaken — , is de openbaarheid zich van de stad aan het verleggen naar de plaatsloze, digitale ruimte van internet en de elektronische media.

Zijn we op weg naar Nowhere land, of de ‘continue stad’ - de nachtmerrie van een eindeloze buitenwijk waaruit niet te ontsnappen valt - uit Italo Calvino’s De onzichtbare steden (1972)?

De opkomst van de centrumloze stad lijkt een autonome ontwikkeling die samenhangt met globalisering, afnemende lokale bindingen en steeds verdergaande individualisering. Maar al lijkt het proces onbeheersbaar, we zijn er wél zelf onderdeel van, zodat er iets valt bij te sturen. Wat dat betreft is er veel te zeggen voor Naomi Kleins slogan: Think globally, act locally.

‘Politiek’ hoort allereerst zorg voor de stad, de concrete ruimte die we met elkaar delen, te zijn. Binnen de ontwikkelingen kunnen we zoeken naar nieuwe vormen van stedelijke identiteiten en verbondenheid aan de plaats. Dat kunnen we beter niet overlaten aan citymarketing alleen. Kunst, media en onderwijs lijken daarvoor meer geschikt.

Op de een of andere manier zullen wonen en werken dichterbij elkaar gebracht moeten worden, maar die nabijheid hoeft niet altijd puur fysiek: ook film, literatuur en theater maken ons bewust van wat dichtbij is. In stedenbouwkundig opzicht is het belangrijk de suburbane gebieden tot echte stedelijkheid, met een grote variëteit aan voorzieningen, te laten ontwikkelen, zodat nieuwe culturele knooppunten kunnen ontstaan. Dat is tevens de enige manier om het omringende landschap, dat een belangrijke tegenwaarde van het stedelijke bestaan vormt, zijn heilzame functie te laten behouden

Jan-Hendrik Bakker spreekt op de Nacht van de Filosofie, zie pag. 14-15

    • Jan-Hendrik Bakker