Stadsliefde en stadshaat

Wat hebben prominente filosofen eerder gezegd over de stad? Zes citaten, over het goede en slechte aan de stad.

In de moderne stad is een droom uit de Oudheid werkelijkheid geworden

Walter Benjamin. Uit: Das Passagen-Werk

De stad is bij uitstek modern. De kille wetten van de markt hebben er geloof en bijgeloof verdrongen. In de negentiende eeuw ontwierpen rationele stadsplanners complete wijken met onpersoonlijke straten. Daarmee wilden ze de utopie van de revolutionairen tegengaan; die konden in de brede straten geen barricaden opwerpen. Juist in deze schijnbaar onttoverde en hygiënische stad waren volgens Walter Benjamin (1892-1940) de ‘krachten van mythe’ opnieuw geactiveerd. De gelijkvormige straten en eindeloze rijen van gebouwen hadden een droom uit de Oudheid werkelijkheid gemaakt: het labyrint. In de Parijse warenhuizen, waar de stadsbewoner verdwaasd door rondloopt, liggen de producten volgens Benjamin opgestapeld als ‘incoherente droombeelden’. Een sprookje dus, de stad. Benjamin zag het als zijn opgave om de stedeling wakker te kussen, zoals de prins dat deed bij Doornroosje. Want dit sprookje verhult dat de producten in de warenhuizen onder soms erbarmelijke omstandigheden gemaakt zijn. Open je ogen, zegt Benjamin, en probeer het sprookje werkelijkheid te laten worden. En zo is het stadse sprookje het begin van de revolutie.

Ik wil niet in een stad wonen waar het enige culturele voordeel is dat je rechtsafslaand door rood mag rijden.

Hannah Arendt, Uit: The Human Condition

Het is verleidelijk om allerlei uiterlijkheden te zien als de belangrijkste verschillen tussen stad en platteland. Op het platteland zijn landwegen, boerderijen, bomen. De stad wordt gekenmerkt door asfalt, hoogbouw en lantaarnpalen. Volgens de Duitse filosofe Hannah Arendt (1906-1975) is het een denkfout om aan die verleiding toe te geven. Het typische van de stad is dat zij een plaats is waar grote groepen mensen samenleven en met elkaar in gesprek treden. De stadscultuur kenmerkt zich door de publieke ruimte, waar mensen samenkomen en vrij kunnen discussiëren over maatschappelijke vraagstukken. Het gaat niet om de stoplichten en de verharde wegen in de stad. Samen met anderen actief vormgeven aan ons leven maakt de stad zo aantrekkelijk.

Ik wil de stad over mij heen trekken en mij erin rollen als in een deken

Jean-Paul Sartre, Uit: Les Mouches

Een ober die nét iets te dienstbaar is en daarmee overduidelijk een rol speelt. Voor Jean-Paul Sartre (1905-1980), die de bovenstaande observatie beschreef, is de stad het decor van zijn filosofie. Schrijven deed hij in Parijse cafés, slapen in vaak aftandse hotels. In die stad moest de mens opnieuw uitgevonden worden. De Tweede Wereldoorlog had het vertrouwen in de mens en zijn moraal al flink geschaad, in de ‘bandeloze stad’ was van dat vertrouwen nog minder overgebleven. Nu er geen duidelijk richtsnoer voor het leven over was, verwachtte Sartre al het heil van de mens zelf; die moest in vrijheid zijn leven vormgeven. Maar in de stad is dat een grote opgave: in de helse drukte dreigen we onze vrijheid te verliezen. We worden voortdurend door anderen bekeken en geobjectiveerd. Hoe ontsnappen we daaraan? De ober pakt het volgens Sartre goed aan: hij speelt duidelijk een rol, door net iets te dienstbaar te zijn. Daardoor lukt het de bezoekers van het café niet om hem vast te pinnen op zijn functie. Achter zijn masker van ober kan hij zichzelf blijven en zijn vrijheid bewaren.

En zelfs een stad vrij van kwaad, is van de drie, nog het meest ontaard.

Francis Bacon, Uit: The Life of Man

In zijn gedicht The Life of Man vroeg Francis Bacon (1561-1626) zich af waar het goede leven gevonden zou kunnen worden. Aan de vorstenhoven wellicht? Nee, de vorstenhoven waren volgens hem slechts oppervlakkige leerscholen voor dwazen. Ook het platteland kon niet op zijn sympathie rekenen. Plattelandsbewoners waren voor hem niet meer dan een stel barbaren. Nog erger dan de vorstenhoven en het platteland was de stad. Zelfs al zou je een stad kunnen ontdoen van alle slechtheid, dan nog zou de stad het minst goed zijn van deze drie plaatsen. Kan het goede leven dan nergens gevonden worden? Om deze vraag te beantwoorden moeten we te rade gaan bij een ander werk van Bacon. InThe New Atlantis schetste de Britse essayist en staatsman een utopische samenleving, waar mensen vol toewijding en gemeenschapszin zijn gericht op ontdekkingen en kennisverwerving.

Ik ben er steeds meer van overtuigd dat bij iedere publieke kwestie het belangrijker is wat het platteland er van denkt dan wat de stad ervan denkt. De stad denkt niet zoveel.

Henry David Thoreau, Uit: Slavery in Massachusetts

In 1854 werd de voortvluchtige slaaf Anthony Burns opgepakt in Boston, Massachusetts. Boston was destijds een bolwerk van abolitionisten, die dan ook spoedig een mislukte poging ondernamen Anthony Burns te bevrijden. Het gebeuren trok de aandacht van de filosoof en stadsontvluchter Henry David Thoreau (1817-1862) die er een toespraak aan wijdde.

In deze toespraak associeerde Thoreau de stad met de wetgevende macht, een macht die in dat tijdperk immorele wetten uitvaardigde die de arrestatie van gevluchte slaven gebood. Volgens Thoreau hadden stadsbewoners ten onrechte een blind vertrouwen in die wetten. Plattelandsbewoners spraken vanuit hun menselijkheid, en als in een obscuur dorp een aantal boeren samenkomt om hun zaken te bespreken, dan was daar het echte Congres van de Verenigde Staten te vinden.

Ik luister naar wat de bergen en de bossen mij te vertellen hebben. Ik bezoek dan mijn oude vriend, een 75-jarige boer.

Martin Heidegger,Uit: Warum bleiben wir in der Provinz?

In 1933 bood de prestigieuze Universiteit van Berlijn Martin Heidegger (1889-1976) een hoogleraarspost aan. Heidegger, die op dat moment in het provinciestadje Freiburg woonde, twijfelde of hij naar de grote stad moest gaan. De drukte, de technologie, de hectiek die het stadse leven domineren, vervreemden de mens van zichzelf, en dat was volgens Heidegger in één woord, het ‘zijn’ zelf. Het kunstmatige stadse leven is inauthentiek, oneigenlijk. Pas in de rust van het platteland, niet afgeleid door de moderne wereld, komt de mens toe aan zijn werkelijke bestemming: ‘mens-zijn’.

Heidegger overdacht het aanbod in zijn hut in de bergen. Hij bezocht vaak zijn vriend, een oude boer. ‘Wat zal hij er van vinden?’, vroeg Heidegger zich af. De oude boer keek zijn vriend aan, legde zijn hand op Heideggers schouder en schudde zijn hoofd, waarmee hij wilde zeggen: Niet doen!

Kort daarna besloot Heidegger het aanbod af te slaan.