Prachtscholieren

Schooluitval is een probleem van de hele maatschappij, zei Pieter Winsemius gisteren tijdens de Kohnstammlezing. Anja Vink

Foto Vincent Mentzel Pieter WINSEMIUS,auteur.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam, 20 juni 2005 Mentzel, Vincent

Tijdens de negende Kohnstammlezing van het Instituut voor Onderwijs en Opvoeding van de Universiteit van Amsterdam, noemde Pieter Winsemius zichzelf Alice in Wonderland. Omdat hij voor zijn onderzoek naar schooluitval, als lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), in opperste verbazing rondliep in de vmbo-scholen in achterstandsbuurten. In een café in Bussum kon Winsemius vorige week nog precies het gevoel oproepen dat hem daar overviel. “Wat is dit? Dat dit bestaat in een welvarend land als Nederland!”

Wat zag u dan?

“Scholen waar zowel leraren als leerlingen overbelast zijn. Waar leerlingen het stempel hebben van hopeloos – en dat weten deze leerlingen heel goed. Ze zitten het vmbo uit en verdwijnen, als ze al een diploma halen, ergens tijdens het eerste jaar van het mbo in een wereld waar we ze niet meer te pakken krijgen om uiteindelijk weer bij justitie terug te keren. Het is geen exclusief onderwijsprobleem. Het is een majeur en ongetemd probleem dat onze hele maatschappij aangaat.”

Pieter Winsemius (66) heeft een lange staat van dienst in bestuurlijk Nederland: minister van milieu, bijzonder hoogleraar management duurzame ontwikkeling aan de Universiteit van Tilburg, schrijver van boeken over onder meer management en voetbal – maar onderwijs kwam nog niet eerder op zijn cv voor. In het derde kabinet Balkenende viel hij in als minister van VROM. Hij had het toen al over veertig probleemwijken waar de spanning zo hoog opliep dat de vlam in de pan kon slaan.

In diezelfde ‘prachtwijken’ van de huidige VROM-minister Vogelaar kwam Winsemius zijn huidige onderzoeksgroep tegen: de voortijdige schoolverlaters. Met vier onderzoekers van de WRR is hij al bijna een jaar bezig met een onderzoek naar een oplossing voor dit probleem. Ze spraken bijna honderd mensen – schooldirecteuren, onderwijsonderzoekers, maatschappelijk werkers in scholen, jeugdhulpverlening buiten scholen om – en gingen zelfs mee op schoolreis naar Parijs met het Utrechtse Vader Rijn College, een vmbo-school. Het onderzoek vond niet plaats in opdracht van de regering, maar op initiatief van de WRR zelf.

Waarom een onderzoek naar voortijdig schoolverlaten?

“Mijn belangstelling werd gewekt na ons eerdere WRR-onderzoek ‘Vertrouwen in de buurt’. Het basisonderwijs is nog wel betrokken bij een buurt, maar scholen voor voortgezet onderwijs bleken in een achterstandsbuurt toch een eigen wereld te zijn. Terwijl er een duidelijke samenhang bestaat tussen arme buurten met bijvoorbeeld veel uitkeringen en een hoog aantal voortijdig schoolverlaters. Voortijdig schoolverlaten is ook geen allochtonenprobleem. Het is een armoedeprobleem in de grote steden. In Groningen en Leeuwarden speelt het ook. Maar de schoolverlatersproblematiek krijgt in de vier grote steden, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht, wel een extra dimensie door de segregatie op zowel school- als buurtniveau. Jongeren komen geen ‘normale’ mensen meer tegen. Ze leren niet wat er in de ‘mainstream’ gebeurt en daarmee verkleinen hun kansen duidelijk.”

Elk jaar verlaten 50.000 jongeren zonder ‘startkwalificatie’ het onderwijs: dat betekent dat ze afhaken voordat ze het niveau mbo-2 hebben bereikt, waarop ze beter zijn toegerust om een baan te kunnen vinden dan met alleen vmbo. Winsemius maakt binnen die grote groep een onderscheid tussen drie soorten jongeren. De eerste groep bestaat uit mbo-scholieren die gewoon aan het werk zijn en uiteindelijk soms toch nog een diploma halen. Winsemius noemt hen de ‘opstappers’. Ze maken een rationele keus tussen verder leren of werken. Verder zijn er de ‘niet-kunners’, die de eindstreep niet halen door een gebrek aan intellectuele bagage. De grootste groep, namelijk vijftig tot zeventig procent van de 50.000, noemt hij de ‘overbelasten’.

Vanwaar die term overbelasten?

“De optelling van sociale en emotionele problemen is de oorzaak van de uitval van deze jongeren. De meesten willen echt wel, maar voortdurend struikelen ze over hun eigen leven. Van de uitvallers op mbo-1 niveau is een angstaanjagend groot deel in aanraking geweest met justitie: bijna dertig procent. En als daar de meisjes uit worden weggelaten is het vijftig procent. Deze jongeren kosten minimaal 40.000 euro per jaar wanneer ze in aanraking met justitie komen. De kosten die we maken om dat te voorkomen zijn heel veel lager. Maar de oplossing blijft maar uit. Dit probleem sleept al meer dan vijftien jaar en het heeft meerdere oorzaken.”

Wat zijn die oorzaken dan?

“Ten eerste staat het niet voldoende op het netvlies van beleidsmedewerkers en onderwijsbestuurders. Ze worden er in ieder geval ’s nachts niet wakker van. Volgens een van de schooldirecteuren die we spraken, Sean Clancy, is het heel eenvoudig: we houden niet genoeg van deze kinderen en dat weten deze kinderen heel goed.

“Daarnaast gaat het ook om een groep leerlingen die scholen liever niet binnen willen hebben. Scholen zijn bang om de slag om de kansrijke leerling te verliezen. Ik heb brieven gezien van christelijke en openbare voorgezet onderwijsbestuurders die elkaar bestrijden in het werven van leerlingen. Terwijl het merendeel van de leerlingen moslim is. Waar hebben we het dan nog over? Deze leerlingen zijn het slachtoffer van het falen van de marktwerking in het onderwijs. Directeuren en bestuurders van scholen met deze groep leerlingen zitten met de handen in het haar omdat teveel zorgleerlingen hun school tot de financiële afgrond brengen. Er is, hoeveel scholen ook doen om uitval te voorkomen, vaak meer aan de hand met deze jongeren dan de school alleen aankan. Maar de hulpverlening komt pas op gang als die jongeren al verdwenen zijn. Het is ook cynisch om scholen af te rekenen op de uitval. Je ziet bijvoorbeeld dat Amsterdam het op dat punt beter doet dan Rotterdam. Maar hoogstwaarschijnlijk heeft dat in Amsterdam weer te maken met de groei van het speciaal onderwijs; die leerlingen tellen niet mee in de officiële uitvalstatistieken.”

Wat moet er nu gebeuren?

“Sinds het rapport Dijsselbloem is er de roep om rust in het onderwijs. Maar voor deze groep leerlingen is dat funest. In hun geval is geen verandering stilstand of achteruitgang. In Rotterdam, waar de nood het hoogst is, ben ik bijvoorbeeld betrokken bij het opzetten van een verlengd vmbo. De eerste twee jaar van het mbo niveau 1 en 2 komen bij het vmbo, zodat je de leerlingen niet kwijtraakt in de overstap naar het mbo. Er komen twee scholen: een vak- en een werkschool. De laatste is een school waar jongeren, in dit geval vaak de niet-kunners, leren wat werk is. Ze lopen veel stage, krijgen les in kleine groepjes waar ze hun achterstand in taal en rekenen inhalen. Op de vakscholen leren ze een beroep – kok, stukadoor, schilder – en zijn ze veel in een omgeving met ‘normale’ mensen door stage te lopen. Het enige probleem is dat dit volgens de financieringsstructuur van het huidige onderwijsbestel niet kan. Maar ik moet zeggen: men denkt bij het Ministerie van Onderwijs mee. Daar staat het probleem uiteindelijk aardig op het netvlies”.

    • Anja Vink