Positief

Illustratie Anki Posthumus Posthumus, Anki

Enige tijd geleden was ik te gast op een uitstekend georganiseerde conferentie. De aankondigingen vooraf, de aanvullende informatie per mail, de gang van zaken op de conferentie zelf, het was allemaal perfect geregeld. Die conferentie was georganiseerd door...

Nu ik dit compliment wil uitdelen, voel ik meteen de zelfcensuur van geen reclame mogen maken, terwijl, wonderlijk genoeg, antireclame dat gevoel niet oproept. Was immers het tegendeel het geval geweest, was de organisatie niet opvallend goed maar, integendeel, uitzonderlijk slecht geweest, dan zou iedereen het gewoon vinden als ik de betreffende organisatie met naam en toenaam noemde. Mij wordt vaak verweten dat ik zure stukjes schrijf, niet positief ben, want alleen oog zou hebben voor wat er mis gaat. Maar zoals u ziet, zodra je complimenten uitdeelt, krijgt de tekst een Harry Mens-achtig karakter.

Alhoewel, als het om personen gaat ligt het anders, over hen kun je wel onverdacht positief zijn. Zo kan ik zonder schroom vermelden dat de staatssecretaris voor Sociale Zaken, Aboutaleb, bij die gelegenheid een uitstekend gedocumenteerd en inspirerend verhaal hield over de aansluiting van onderwijs en arbeidsmarkt.

Na hem kwam de voorzitter van de SER en opsteller van het rapport LeerKRACHT, Alexander Rinnooy Kan, aan het woord. Zijn aandacht ging vooral uit naar de selectie na de basisschool. Hoe zeer ook in een milde stemming, hier zie ik me gedwongen toch een kritische kanttekening te plaatsen. Zoals bij eerdere gelegenheden verwees Rinnooy Kan ook nu weer naar het enige tijd geleden verschenen OECD-rapport waarin het Nederlandse onderwijs het verwijt krijgt dat de selectie aan het eind van de basisschool voornamelijk gebaseerd is op sociale achtergrond. Met andere woorden: waar een leerling in ons voortgezet onderwijs terecht komt, wordt meer bepaald door sociale achtergrond dan door eigen kwaliteiten. Met als gevolg dat de kansrijken kansrijk en de kansarmen kansarm blijven. Ondanks het feit dat we sedert de Tweede Wereldoorlog onafgebroken hebben gestreefd naar gelijke kansen zijn we daar, aldus Rinnooy Kan, nog steeds niet in geslaagd.

Deze laatste bewering nu is pertinent onjuist. De tragiek wil namelijk dat we daar heel redelijk in waren geslaagd, maar dat we die kwaliteit zijn kwijtgeraakt. Niet eens zo lang geleden, nog in 2005, sprak de Amsterdamse hoogleraar Sjoerd Karsten er zijn verbazing over uit dat landen met een sterk middenschoolkarakter minder sociale ongelijkheid kennen dan landen met een sterk gedifferentieerd stelsel. Met uitzondering van Nederland.

In de ogen van de OECD deden we het toen nog uitstekend. En nu dus niet meer. Rinnooy Kan adviseerde de zaal een voorbeeld te nemen aan de Noord-Europese landen. Dat nu is een slecht advies. Sedert Van Kemenade hebben onderwijskundigen en progressieve politici niet anders gedaan dan naar die landen kijken en we weten allen waar dat toe heeft geleid. Daarbij ging men namelijk voorbij aan de karakteristieke kenmerken van de Nederlandse situatie: het stedelijke karakter, de vrijheid van onderwijs en de vrije schoolkeuze. Nee, het is nergens voor nodig het buitenland als lichtend voorbeeld te nemen.

In plaats daarvan moeten we kijken naar onszelf, naar hoe wij het op het vlak van gelijke kansen tot voor kort decennialang uitstekend hebben gedaan. Naar de tijd toen ouders niet, zoals nu, vol angst en beven uitkeken naar de uitslag van de cito-toets. De vraag die we ons bij dat zelfonderzoek moeten stellen luidt dus: wat is er bij de overgang van basis- naar voortgezet onderwijs de afgelopen jaren in Nederland zo anders geworden?

Leo Prick

lgm.prick@worldonline.nl

    • Leo Prick