Oude muziek klinkt weer als nieuw

Klassiek Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Dennis Russell Davies. Gehoord: 28/3 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 29/3. Info: www.concertgebouw.nl

Van sommige componisten zal nooit onbetwistbaar vast komen te staan of ze hun tijd nu voor- of achteruit waren. Tristan Keuris (1946-1996) bijvoorbeeld, de Nederlander die rustig drieklanken opschreef toen zijn collega’s dat al decennia niet meer deden, of voorlopig nog niet durfden.

Het Koninklijk Concertgebouworkest speelde gisteren Catena, in 1988 voor het eeuwfeest van het orkest geschreven. Het klonk onder dirigent Russell Davies strak en gestroomlijnd, met meer nadruk op pure klankkleur dan op functionele harmonie.

Het Concert voor piano en strijkorkest (1979) van Alfred Schnittke, die de vooruitgang ook altijd in de terugblik zocht, bleef een moeilijk stuk. Van de aanwezige consonante elementen kijkt niemand meer op. Juist de platte, karikaturale rol die voor de dissonantie overblijft, is betreurenswaardig: schrille schrikeffecten uit goedkope horrorfilmmuziek, ondoordringbare klanksluiers en grauwe spatters postapocalyptische modder.

Soliste Maki Namekawa speelde daartussendoor met een bewonderenswaardige afwisseling van kalme, introverte melancholie en driftige woedeuitbarstingen. Geregeld stond ze even op om nog meer gewicht te kunnen gebruiken in de elleboogclusters. Haar showgevoel kwam ook tot uitdrukking in de toegift: een jazzy variatie op Paganini’s 24e Caprice.

Bij al dit teruggrijpen op tonale tradities zou een werk uit de neoklassieke periode van Stravinsky niet hebben misstaan. Maar nu klonk het oude, ‘Russische’ ballet Petroesjka (1911). Russell Davies nam veelal ingehouden tempi en benadrukte een aantal overwegend statische passages, die zo soms haast minimalistisch avant-la-lettre werden.

    • Jochem Valkenburg