Opstaan voor Claus

Robbert Ammerlaan (64) is directeur van De Bezige Bij, uitgever van de schrijver Hugo Claus die vandaag wordt begraven. Hij is getrouwd en vader van twee zonen. „Vergeet Sinatra niet.”

‘Er zijn niet veel kunstenaars die zo diep bewonderd zijn’ Foto Vincent Mentzel Robbert AMMERLAAN. Directeur van uitgeverij De Bezige Bij voor een portret van Hugo Claus in zijn werkkamer van de uitgeverij te Amsterdam. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam, 27 maart 2008 Mentzel, Vincent

Donderdag 20 maart

De dag begint al in de vroege uren met de nazit van het programma Pauw & Witteman, waar Harry Mulisch en ik Hugo Claus hebben herdacht.

Ik heb verslag gedaan van mijn laatste lunch met Hugo. Oesters, kaaskroketjes, twee glazen champagne. Veel gelachen. Bij het afscheid hebben we elkaar lang in de ogen gekeken. „We gaan elkaar nog zien,” zei ik hulpeloos.

Nu, na de uitzending, praten we na in café Plantage. Het is kwart over twee als ik thuis ben. Precies twaalf uur geleden stierf Hugo Claus. Van dag en tijdstip was ik al zeven dagen op de hoogte. Ik ben moe. Maar de slaap wil niet komen.

Tegen tienen ben ik op de uitgeverij. Na de schok van gisteren gaan we aan de slag met van alles dat moet gebeuren: er moeten regelingen voor de begrafenis worden getroffen, buitenlandse uitgevers geïnformeerd, herdrukken opgelegd, er moet een rouwkaart worden ontworpen, een herinneringsposter gedrukt.

Intussen worden we bedolven onder reacties.

Van mijn collega Suzanne Holtzer, Hugo’s redactrice en vertrouweling, hoor ik details over de laatste vierentwintig uur. Dat hij de middag vóór zijn sterfdag nog naar de bioscoop wilde. Een Franse film, met mooie beelden van Parijs. Maar, navrant detail, het verhaal ging over een man die nog maar een paar dagen te leven heeft.

„Het maakte niets uit,” zegt Veerle Claus later. „Hugo heeft voornamelijk geslapen.”

Ook weet ik nu dat Hugo in zijn laatste ogenblikken met Veerle nog zacht een liedje heeft gezongen.

Ik schrijf de tekst voor de overlijdensadvertentie.

Als de tekst naar de vormgever is, mail ik Connie Palmen. Of ze in het komende nummer van Hollands Diep Hugo wil herdenken. Toen ik haar onmiddellijk na het overlijden belde, was ze in tranen.

Aan het eind van de middag klonteren de medewerkers van De Bij samen en drinken een glas. Er heerst een mooie, contemplatieve sfeer. Iedereen voelt het gewicht van de gebeurtenissen en is zich bewust van wie en wat De Bezige Bij zo bijzonder maakt.

Vrijdag

Thuis aan het ontbijt lees ik in De Volkskrant Erwin Mortiers eresaluut aan Hugo Claus. Een mooi geschreven stuk, vol scherpe observaties.

De rouwadvertentie van Veerle, die wij gisteren naar de kranten hebben gestuurd, ontroert me opeens nu ik hem afgedrukt zie: „Dag lieve lieve man.”

Op De Bij schrijf ik een bedankbriefje aan Guy Verhofstadt. De net afgetreden Belgische eerste minister heeft zijn vriend en landgenoot herdacht met een empathie en eloquentie die in de Haagse politiek zo pijnlijk ontbreekt.

„Hij is als een gloeiende ster van ons heengegaan, precies op tijd, precies vooraleer hij tot een plomp zwart gat zou zijn ineengeklapt. Het ga je goed in de nieuwe wereld, ‘in de schoot van de lieve dood’.”

Dan, tussendoor, een telefoontje uit London. Een Engelse literair agent biedt me, in vertrouwen, het nieuwe boek aan van een beroemd auteur die van uitgever wil veranderen.

Kan ik het manuscript in het Paasweekend lezen? Dat kan ik. Kan ik de naam van de auteur voorlopig geheim houden? Dat kan ik ook – zoals u merkt.

Later op de dag probeer ik vergeefs Veerle Claus te bellen. Op de voicemail klinkt ze mat en verdrietig.

’s Avonds belt Youp van ’t Hek. Hij zegt aardige dingen over de manier waarop ik Hugo heb herdacht. „Het gaat wel hard nu,” zegt Youp. „Vorig jaar Wolkers, nu Claus. Je zorgt toch wel goed voor oom Harry?”

Zaterdag

Bladen maken is bijna net zo uitdagend als boeken uitgeven. Mijn zaterdag is daarom doorgaans ingeruimd voor Hollands Diep. Vandaag komt daar niet veel van terecht.

Terug van de vismarkt en het Vlaams Broodhuis bel ik Luc Coorevitz, literair theatermaker, die het afscheid van Claus in de Bourlaschouwburg, vandaag over een week, organiseert. Behalve veel poëzie zal er ook veel muziek zijn.

„Vergeet Sinatra niet,” zeg ik.

Net als ik was Hugo Claus een afficionado en kende hij de verzamelde werken uit zijn hoofd.

In een taxi, op weg naar de Salon du Livre, hebben wij ooit, luidkeels en tweestemmig, de hoogtepunten uit dat oeuvre ten gehore gebracht. De Parijse taxichauffeur was niet weinig verbaasd.

Nadat ik een paar uur in het geheime manuscript heb gelezen, bel ik Veerle. Ze is bedroefd en aangeslagen. Niet vanwege de in België steeds venijniger aanvallen op de beslissing tot euthanasie.

De Morgen opende er vandaag de voorpagina mee: ‘Katholiek protest tegen euthansie Claus.’ „Wat zou Hugo tevreden zijn geweest,” zegt Veerle.

Nee, het is het gemis dat nu in volle omvang op haar afkomt. „Ik was zo goed voorbereid,” zegt ze. „En nu ga ik toch kapot. Het was ook zo prachtig, de laatste dagen. Hugo was zo aanwezig en het afscheid was zo mooi.”

Zondag

Het is lente. Het vriest. Terwijl de sneeuw blijft vallen lees ik in Godenslaap, de nieuwe roman van Erwin Mortier die zijn voltooiing nadert. Het dreigt een meesterwerk te worden. Ik ken niemand die alle registers van de taal zo virtuoos kan bespelen. Nou ja, behalve Claus dan.

Van Connie Palmen is een mailtje binnengekomen: „Lieve Robbert, ik zal het doen.”

Ze zal Hugo herdenken in Hollands Diep. Ze is een genereuze vriend.

Maandag

Opnieuw een dikke laag sneeuw. Alle tijd om de briefwisseling te lezen tussen Claus en Vinkenoog, begin jaren ’50. Een weergaloos literair document. Van Luc Coorevitz krijg ik de eerste opzet van de afscheidsbijeenkomst van zaterdag toegestuurd. Even later komt ook het ontwerp binnen van het afscheidsboekje dat aan de aanwezigen zal worden uitgereikt. De foto van Hugo op het omslag beneemt me de adem, alsof het nu pas tot me doordringt dat we elkaar nooit meer zullen zien.

’s Avonds eten we bij mijn oudste zoon en vieren we - enigszins verlaat -zijn verjaardag. Mijn beide zonen houden van literatuur, dus ik mag de hele avond over Hugo Claus vertellen. Er wordt gelukkig veel gelachen.

Dinsdag

Zoals alle belangrijke kranten in de wereld staat ook The New York Times stil bij de dood van ‘one of Belgium’s most renowned authors, despite his often caustic portrayals of his nation.’ Een eervol portret.

Mooier nog is de email die Peter Mayer, de legendarische voormalige uitgever van Penguin, me stuurt: „I do not know many people who impressed me so much with their love of life and the extraordinary diversity of their creative output. I do wish he had won the Nobel Prize. No one Dutch or Flemish deserved it more.’

Om elf uur naar de redactie van Hollands Diep. Het gaat goed met het blad: betaalde oplage meer dan 46.000, veel lof van de lezers. Met de redactie bespreek ik hoe we Claus zullen herdenken: niet alleen met ’t stuk van Connie, maar ook met een keuze uit Hugo’s brieven aan Vinkenoog.

Daar zitten juweeltjes tussen:

„Het appartement voor mij alleen nu. In het huis tegenover het onze spelen twee kinderen van tien-twaalf jaar. Om de minuut kijken ze naar mij. Waarom? Omdat de vorige huurder van deze kamer zich aan exhibitionisme overgaf, daarvoor ter verantwoording geroepen door de vader van de kinderen en een politiecommissaris. De kinderen spieden mij af, bij de minste naaktheid zullen zij naar de vader rennen. Of zouden zij een half uurtje wachten? Ik riskeer het maar niet.”

Woensdag

Ouderwetse, handgeschreven fax van Inge Feltrinelli, grande dame van de Italiaanse uitgeverswereld: „Hugo Claus, what a wonderful man, what a great writer – what a loss for all of us.”

Ik herinner me de champagnelunch die Hugo en ik vijf jaar geleden met haar hadden in Turijn – en hoe we daarna samen de middag enigszins landerig hebben doorgebracht op een terras, waar Hugo herinneringen ophaalde aan de vrouwen uit zijn gigolo-jaren in Rome.

Overmand door weemoed en drank zijn wij allebei een fijn linnen pak gaan kopen.

Terug naar de realiteit: overleg over de speciale brochure die De Bij aan Claus zal wijden. Vierentwintig pagina’s met herdrukken en aanbiedingen uit het gehele oeuvre. Ik realiseer me weer eens hoe kolossaal dat werk eigenlijk is.

Aan het eind van de dag bel ik met Londen en formuleer een bod op de rechten van het boek dat ik de afgelopen dagen heb gelezen.

Spreek vervolgens weer Luc Coorevitz. De afscheidsbijeenkomst zal rechtstreeks door de televisie worden uitgezonden. „Het wordt een staatsbegrafenis,” zegt Luc. Maar dan wel één zonder gekroonde hoofden. Want republikein was Claus in hart en nieren.

Donderdag 27 maart

Nu de afscheidsdag nadert maakt Veerle zware tijden door. Ze kan niet meer. We spreken haar moed in en beloven morgen naar haar toe te komen om haar in de laatste uren vóór zaterdag bij te staan.

Op mijn kamer bij De Bij hangt intussen de herdenkingsfoto van Hugo die mijn collega Francien Schuursma heeft laten inlijsten. Ik kijk ernaar, en naar het magistrale zeegezicht van Jan Wolkers dat achter mijn bureau hangt, en probeer woorden te vinden voor de korte rede waarmee ik het afscheid van Claus in Antwerpen zal inleiden.

Dit is wat ik noteer: „Er zijn niet veel kunstenaars die zo diep bewonderd zijn, er zijn niet veel mensen van wie zo veel is gehouden.

Ik verzoek u op te staan voor Hugo Claus.”

Dat verzoek doe ik ook aan de lezer van dit dagboek.

    • Robbert Ammerlaan