Omtrent Hugo

In alles gulzig, onverzadigbaar, een eeuwige flirt.

Claus Foto Vincent Mentzel Hugo CLAUS . foto VINCENT MENTZEL/NRCH MEER FOTO`S IN PAPIEREN ARCHIEF Mentzel, Vincent

‘Zie ze flaneren, zie ze passeren,” zuchtte het monument, de sfinx, de meester. Omdat we beiden waren uitgenodigd op de Dag van het Bulkboek in Den Haag, had ik aangeboden om zijn chauffeur te spelen. Elke gelegenheid om het openbaar vervoer te mijden was Hugo Claus lief. Toen ik hem eens vroeg waarom, antwoordde hij onbewogen: „Dood aan alle arbeiders!” Om vervolgens met pretogen mijn verwarring te peilen: meende ons monument dit?

Het Bulkboek-evenement was afgelopen, honderden scholieren stroomden het congresgebouw uit en omzwermden mijn wagen, zonder zijn twee inzittenden een blik waardig te achten. Ik herkende twee leerlingen van de besloten sessie over mijn laatste boek, ze hadden honderduit commentaar geleverd. Nu negeerden ze mijn opgestoken hand en bleven ons gearmd voor de wielen lopen, ons het wegrijden belettend. „Je mag daar allemaal niet goed aan denken,” bromde Claus, hoofdschuddend het grut gadeslaand — flirtend, ravottend, hautain jong. „Nietwaar, Tom?” Hij keek mij polsend aan. Mij tot een instemmende repliek dwingend.

Ik wist bijgod niet waar hij op aanstuurde.

‘Onvoorspelbaarheid’, zo noemen vorsers de sleutel tot zijn oeuvre. Maar er blijkt een hele bos van die sleutels te bestaan, en geen mens weet wat ze exact inhouden. Dionysisch? Of juist Apollinisch? „Claus was gewoon beide.” Ook dat is inmiddels een passe-partout onder academici.

Het klopt nog ook. Claus had van alle antieke halfgoden een tongzoen of een klap gekregen, en erfde minstens een schaamluis of twee van Bacchus en Priapus. Hij draaide zijn hand niet om voor Zuster Bertken, Dolly Parton én de rubriek ‘Gebroken Armen’ uit De Telegraaf. Als het maar bruikbaar was, en goed klonk. Lang voor de geboorte van het postmodernisme mengde Claus al ‘hoog en laag’, als een verfijnde betonmolen. Lang voor de uitvinding van de staafmixer mengde hij het moddervette met het afgemetene. Zijn magische maïzena, zijn poëzie, kon alles met alles verbinden, tot zelfs karamelleverzen sprankelden als een coupe champagne. En sommige bléven karamel. Wat is daartegen?

Denkend aan Claus’ werk, kom ik meestal uit bij eten en drinken. Rijk voedsel, altijd in barokke porties. Hij stamde dan ook van vóór de hongerkuur genaamd nouvelle cuisine. Van een generatie die zich de oorlog herinnerde met de maag: elke maaltijd kon de laatste zijn in weken. Dan komt de klemtoon bij ‘eetlust’ vanzelf op het tweede deel te liggen.

Ik bezit tastbare souvenirs aan hem, waar ik beschamend trots op ben. Dat een schrijver een schrijver levenslang bewondert? Het heeft iets gênants. Van alle moorden zijn die op zelfgekozen vaders het meest noodzakelijk. Het weze zo. Dan blijf ik maar een halfwas.

Ik bezit een editie van zijn verzamelde toneel waarin hij op het titelblad schreef, in dat merkwaardig ordentelijke kostschoolhandschrift: „Voor Tom, die het niet meer moet leren.” Hij tekende er zelfs een plagerig hartje bij. Maar minstens zo dierbaar als dit boek is de herinnering aan de keer dat ik voor hem kookte. Mijn pièce de resistance was het dessert: profiteroles. Kleine soezen, zelf gevuld met ijscrème, bespoten met een toef slagroom (niet te veel suiker!), en overgoten met zelfgemaakte chocoladesaus. (Het geheim? Niet aanlengen met melk, maar met koffie.)

Claus nam achterdochtig een eerste hap, lepeltje tussen duim en wijsvinger van zijn literaire reuzenhand. Het volgende moment was zijn bord al leeg. „Zo moet een profiterole smaken,” riep hij uit, zijn mond schoonvegend. „Heb je er nog?” Hij was niet alleen een literaire kolos. Mijn god — de hoeveelheid profiteroles die in één man kon verdwijnen? Mijn andere gasten zaten erbij en keken ernaar. Zich tevreden stellend met elk één bordje.

In alles gulzig, onverzadigbaar, een eeuwige flirt. In de laatste maanden van zijn ziekte trok hij graag op met vriend Jan en diens mooie blonde lieve Brechtje. Meer dan eens probeerde hij haar een kus te ontlokken, verklaarde hij zacht zijn plots opdoemende liefde in haar oor — toch luid genoeg opdat ook vriend Jan het zou horen — en gunde hij zich van dichtbij een blik in haar schuchter decolleté. Wanneer vriend Jan mopperde stak hij gespeeld schuldbewust de handen in de lucht: „Beste Jan! Je weet toch dat ik ziek ben? Ik vergeet van alles! Ik ben mezelf niet meer!” De charme als harnas. Toujours sourire, le coeur douloureux.

Ik zat in Den Haag te zweten in mijn wagen, kijkend naar de ravottende jeugd, radend naar het oordeel van de meester, denkend aan zijn eeuwige dichtregels, de gebeitelde zinnen uit zijn meesterwerken.

„Je mag daar niet aan denken,” grijnsde hij. „Al die prille lullen. Al die kleine kutjes. En dat die elkaar toch weer vinden. Altijd. Altijd.”

Dit is de laatste aflevering van Passanten & Verwanten. Deze column verscheen deze week ook in het Belgische weekblad Humo.

    • Tom Lanoye