Liberaal jihadist

‘Fitna’ is uit. Geert Wilders heeft zijn nieuwste stap gezet in zijn kruistocht tegen de islam. „Hij moet het van onrust hebben.” Portret van een Kamerlid uit Venlo.

Foto Peter de Jong / WFA WFA52T:GEERT WILDERS:BIDDINGHUIZEN;27MAR2008-Geert Wilders met Coolpolitics op Lowlands Festival 2006 Biddinghuizen/Holland 18 aug.2006 Foto: Peter de Jong�2006 peter.foto@gmail.comWFA/pdj/str.Peter de Jong WFA WFA

Opeens zag Geert Wilders een Koran liggen. Vlak bij de Klaagmuur, in een nauw steegje in Oost-Jeruzalem. In de derde week van januari was Wilders op bezoek in Israël. Met zijn anti-Koranfilm was hij al druk bezig. Hij vroeg de Arabische boekhandelaar hoeveel het moest kosten. Een paar euro. „Ik probeerde nog af te dingen, maar dat schijnt niet te mogen bij de Koran.” Dus betaalde hij de vraagprijs aan de „heel aardige Arabier”, en liep weg met het boek dat miljoenen donderdagavond als openingsshot van zijn film Fitna zagen. Wilders: „Dit is de enige hulp die ik uit het buitenland heb gehad.”

De film is voor de 44-jarige leider van de Partij voor de Vrijheid de nieuwste stap in zijn kruistocht tegen wat hij de islamisering van Nederland noemt. En weer ontstond er ophef. Ministers hielden spoedberaad. Het Binnenhof werd afgezet. Satellietwagens reden het Plein op, waar de politie hekken neerzette voor een ‘mediadorp’. Premier Balkenende legde op zijn persconferentie een Engelse verklaring af over „the dutch standpoint” en de ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken openden tijdelijk speciale telefoonnummers voor persinformatie. In de Tweede Kamer stonden journalisten in de rij voor hun vier minuten met Geert Wilders. Nieuwsrubrieken, kranten en politici hadden het de afgelopen dagen over niets anders.

In de bijna anderhalf jaar dat Wilders met zijn acht fractiegenoten in de Tweede Kamer zit, heeft hij op de rechterflank van het politieke spectrum met groot publicitair succes een politieke niche voor zichzelf gebouwd. De belediging, het schokeffect of de provocatie zijn een onmisbaar onderdeel van zijn repertoire: Kamerleden zijn lafaards, premier Balkenende zelfs een „beroepslafaard”, de Antillen een „boevennest”, Marokkaanse jongens bijna altijd „straatterroristen”. Een debat is niet compleet zonder ruzie met andere Kamerleden over het doorbreken van de (ongeschreven) politiek regels.

De provocatie is er ook in de film: de islam volgens Wilders leidt onherroepelijk tot terreur en geweld tegen niet-moslims. CDA-fractievoorzitter Pieter van Geel noemde de 15 minuten „vilein en onnodig kwetsend”. Toch lijkt Wilders zijn veelgebruikte tactiek van de overtreffende trap in Fitna achterwege te laten. De algemene reactie van zijn politieke tegenstanders was dat het allemaal veel erger had gekund, een oordeel dat niet vaak wordt geveld na een optreden van Geert Wilders.

Achttien jaar. Zo lang werkt de Limburger al op het Binnenhof. Hij kwam in 1990 als fractiemedewerker voor de VVD in Den Haag terecht, ‘deed’ sociale zaken en sociaal-economisch beleid en schreef af en toe speeches voor toenmalig VVD-leider Frits Bolkestein. Die was voor Wilders een belangrijk politiek voorbeeld. Niet alleen wegens zijn ideeën. De confronterende stijl en de neiging politieke taboes te doorbreken zijn nu terug te zien bij de PVV-leider.

Bezeten, obsessief, compulsief. Een workaholic die leeft voor de politiek en geen andere interesses heeft. Iemand die niet zonder spanning kan, publieke aandacht zoekt, zelfs nodig heeft. Zo beschrijven zijn (oud)-collega’s bij de VVD hem. „Niet Wilders gaat met het onderwerp aan de haal, het onderwerp gaat met hem aan de haal”, zegt VVD-Kamerlid Hans van Baalen. „Hij gaat altijd ergens honderd, tweehonderd procent voor.” Toen Wilders in 1998 Tweede Kamerlid werd, kreeg hij al snel een bijnaam: de slavendrijver. Werkdagen van twaalf uur, ook voor zijn medewerkers. Geen debat zonder het doorlezen van stapels documentatie.

Het zijn die eigenschappen die hem richting een steeds onverzoenlijker anti-islamstandpunt hebben getrokken, blijkt uit gesprekken met collega-politici en anderen die zijn politieke carrière hebben gevolgd. Wilders zelf wilde daar de afgelopen weken niet over praten.

Nieuw is zijn belangstelling voor de islam niet. Als puber woonde hij een jaar in Israël, en werkte er in een kibboets. Maar hij bezocht ook andere landen in het Midden-Oosten, zoals Syrië, Egypte en Iran. Zijn ervaringen daar versterkten zijn belangstelling voor de politieke situatie in het gebied, die Wilders vooral als een religieuze strijd duidt.

De moslimlanden fascineerden hem, maar op Israël raakte hij verliefd. Hij bezocht het land meer dan veertig keer, zegt hij zelf. Het leverde hem vriendschappen en contacten op, waar hij in zijn VVD-tijd veel gebruik van maakte. Met de Israëlische ambassade in Nederland had hij in zijn VVD-tijd, tot 2004, een warme band. De ambassade hielp hem altijd met het voorbereiden van debatten of Kamervragen over het Israëlisch-Palestijnse conflict. Wilders verklaarde zelfs een keer informatie te hebben van de inlichtingendienst Mossad over terreurcellen in de Benelux die chemische wapens zouden hebben. Wilders is „een vriend van Israël”, zei de persattaché van de ambassade in Den Haag vorige week nog.

Als beginnend Kamerlid bleef Wilders bij zijn oude specialiteit, de sociale zekerheid. Maar zijn VVD-collega Frans Weisglas – die over het buitenland ging – gunde hem een klein stukje van zijn portefeuille: Iran. Wat in dat land gebeurt, liet hem niet meer los, herinnert Van Baalen zich. „Daar heeft hij zich helemaal in vastgebeten. Het heeft hem echt aangegrepen hoe gevaarlijk dat regime was. Volgens mij heeft hij er wel honderd kamervragen over gesteld.” Thuis liet hij collega’s wel eens filmpjes zien van stenigingen van overspelige vrouwen.

Het waren de jaren van de aanslagen in de Verenigde Staten door Al-Qaeda, de strijd in Afghanistan en later Irak, de bommen in Madrid en Londen en de moord op Theo van Gogh. De eerste doodsbedreigingen begonnen bij Wilders binnen te druppelen, die al snel moest onderduiken, en sindsdien zwaar wordt beveiligd.

In 2002 werd Wilders woordvoerder terreur, en werd Ayaan Hirsi Ali VVD’er. Zij werkte eerst als fractiemedewerker voor de partij, en werd in 2003 Kamerlid. Van Baalen: „Ayaan Hirsi Ali was een steunpilaar voor hem. Zij heeft het onderwerp islam breder voor hem gemaakt.” Wilders was tot dan toe vooral bezorgd over de radicale islam, maar hoorde van Hirsi Ali dat niet de uitwassen, maar de islam zelf het probleem was. Joop Hazenberg was in die tijd persoonlijk medewerker van VVD-fractievoorzitter van Jozias van Aartsen. „Ik deelde met Geert de fascinatie voor het Midden-Oosten. Eigenlijk spraken we nooit ergens anders over. Geert was echt met een soort ontdekkingstocht bezig, kwam met boeken over de islam.”

„Nadat hij contact kreeg met Ayaan ging hij glijden, ze waren allebei een beetje een outcast in de fractie”, zegt VVD’er Robin Linschoten, die in 1990 de sollicitatiecommissie voorzat die Wilders als beleidsmedewerker aannam. Hij was meteen onder de indruk van zijn deskundigheid, intelligentie en netwerk.

Hirsi Ali en Wilders schreven in NRC Handelsblad opiniestukken over de noodzaak van een „liberale jihad” tegen de radicale islam. In andere media liet Wilders zich graag interviewen. Daarbij schuwde hij de one-liners niet. Toch was de steeds scherpere islamkritiek niet de belangrijkste reden voor het uiteindelijke afscheid van de VVD in 2004, zeggen zijn oud-partijgenoten. Het was de verslaving aan media-aandacht. Linschoten: „Die breuk kwam uiteindelijk doordat hij dacht dat hij zich binnen de fractie meer kon permitteren dan de anderen.”

Fractievoorzitter Van Aartsen moest hem regelmatig tot de orde roepen, maar Wilders „was niet controleerbaar”, zegt Hazenberg. Toen Wilders – één dag na een nieuwe belofte om wat terughoudender te zijn – samen met fractiegenoot Gert-Jan Oplaat in een manifest pleitte voor een rechtsere koers bij de VVD, was het genoeg. Van Aartsen eiste dat Wilders zijn woorden terugnam. Wilders weigerde, en stapte uit de VVD.

Als leider van zijn eigen PVV doet Wilders wat hij wil, en kan hij zonder terughoudendheid zijn zorgen over de islam en de in zijn ogen inadequate reactie daarop van de overheid met een breed publiek delen. Zijn politieke aanvallen verliepen het afgelopen jaar volgens een vast patroon. Eerst komt het voorspel. In de media ontvouwt hij een standpunt met een zo hoog explosief gehalte dat ophef gegarandeerd is. Zo kondigde hij een jaar geleden in een interview in NRC Handelsblad moties van wantrouwen aan tegen de kersverse staatssecretarissen Albayrak en Aboutaleb. Een week later domineerde Wilders met zijn aanval op de buitenlandse afkomst van de twee PvdA-bestuurders het debat over de regeringsverklaring. Want dat is de tweede stap: in een Kamerdebat maakt hij zijn dreigement meer dan waar, jaagt hij zijn collega’s op de kast, en haalt hij diezelfde dag alle nieuwsrubrieken. Met zijn pleidooi voor een Koranverbod (vooraankondiging in de Volkskrant), wist hij een debat dat moest gaan over islamitisch activisme, naar aanleiding van een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), naar zijn hand te zetten. Hij rekte zijn spreektijd op van tien minuten naar meer dan anderhalf uur, maakte minister Vogelaar (Integratie, PvdA) uit voor „knettergek” en diende ook tegen haar een motie van wantrouwen in.

De derde stap is de reactie van je tegenstanders gebruiken om je af te zetten tegen de Nederlandse politiek. Hoe andere partijen ook reageren, het antwoord is altijd een variatie op hetzelfde thema: wie kritiek heeft op de PVV is een lafaard, steekt zijn kop in het zand, probeert de 600.000 PVV-stemmers monddood te maken of een cordon sanitaire rond de partij te leggen.

Na de aanvankelijke aarzeling bij andere partijen, komt er nu meer politieke tegenstand. Kamerleden durven Wilders tegenwoordig tijdens debatten van discriminatie te beschuldigen, en ook kabinetsleden nemen steeds duidelijker stelling tegen manier waarop Wilders politiek bedrijft.

Bij zijn tegenstanders roept Wilders een mengsel van bewondering en ongenoegen op. Bewondering voor zijn politieke talent om de aandacht te trekken, ergernis over de manier waarop hij dat gebruikt. Hij heeft zijn fractie goed gescout en georganiseerd, zeggen ze. „Ze zijn heel professioneel, je moet er niet lichtzinnig over oordelen”, zegt GroenLinks-leider Femke Halsema. CDA’er Jan Schinkelshoek: „De partij weet wat ze wil. Ze vertolken een diepgevoelde emotie, op een vastbesloten, bijna verbeten manier. Het heeft de aantrekkingskracht die de rattenvanger van Hamelen ook had: je krijgt het gevoel alle problemen in een grote klap te kunnen oplossen.”

Maar uiteindelijk brengt de manier waarop Wilders politiek bedrijft niemand een stap verder, zeggen zijn politieke concurrenten. Ook voor zijn eigen kiezers kan Wilders weinig betekenen: hij krijgt bijna nooit steun van andere partijen, zoekt die ook niet op, en kan dus aan de politieke werkelijkheid weinig veranderen.

Discussiëren over zijn eigen voorstellen doet Wilders nooit, zeggen zijn collega’s. „Dat is ook slim”, zegt VVD’er Halbe Zijlstra. Hij stond in veel integratiedebatten tegenover de PVV. „Als je een kraakheldere keiharde boodschap hebt, dan is elke reactie verder een zwaktebod, een fout: of je moet nuanceren, of je moet nog harder gaan schreeuwen.” Voor Wilders, zeggen zijn tegenstanders, zijn compromissen vieze dingen. Dat ergert ze. Want politiek moet meer zijn dan theater, of ritueel knokken. Zijlstra: „Wij zitten hier uiteindelijk met zijn allen om de tent te runnen.”

De afstand die Wilders neemt van de politieke conventies is een bewuste keuze. Want voor alles wil de PVV één ding duidelijk maken: zij spreekt namens het volk, de burger, en is op het Binnenhof neergestreken om de beroepspolitici lastig te vallen. Zijlstra: „Hij mag zich graag afzetten tegen het Haagse. Dat is grappig, want zijn partij bestaat alleen daar, verder is het niets.”

Zijn vermogen het nieuws te domineren, is maar half zijn eigen verdienste, zeggen zijn collega’s. Minstens zo belangrijk is het onvermogen van andere politici. Volgens GroenLinks-leider Femke Halsema kan de PVV het debat gijzelen door „de halfslachtige manier waarop andere politici met ze omgaan. Veel politici zijn bang. Ze zwijgen tot ze weten hoe de wind ervoor staat.” Dat geldt ook voor het kabinet, vindt Halsema: „Als Balkenende had gezegd ‘U kunt op het dak gaan zitten, dit zijn mijn staatssecretarissen’ dan was het heel anders gelopen. Maar dat doet hij niet.”

Volgens CDA’er Jan Schinkelshoek heeft zijn partij het antwoord op Wilders nog niet gevonden: „Ook wij zoeken nog, verbaasd en misschien wel geschrokken door de aantrekkingskracht van het extremisme. Of het lukt weet ik niet.” Van de andere grote partijen in het politieke midden komt het antwoord ook niet, zegt Schinkelshoek: „De VVD is al in tweeën gespleten, aangevreten; de PvdA vertoont verlammingsverschijnselen.”

PvdA’er Diederik Samsom: „Er zijn geen beproefde strijdmethoden om vanuit een verdraagzame politiek onverdraagzaamheid te bestrijden. Kijk maar naar Wilders zelf: het lukt hem blijkbaar ook alleen om de onverdraagzaamheid die hij in de islam ziet met keiharde onverdraagzaamheid te bevechten. Kennelijk komt hij er anders ook niet uit. Maar ik ben ervan overtuigd dat het tot niets leidt.”

Een deel van de aandacht die Wilders krijgt, ligt ook bij de „hysterie die de media heeft bevangen”, zegt Samsom. „Die kijken naar de politiek als een soort kooigevecht. Media hebben een soort verslaving ontwikkeld aan Fortuynachtige superlatieven.” Wilders zelf beschouwt de media voornamelijk als tegenstanders. Toch zijn zij onontbeerlijk voor het succes van de PVV-leider. Een georganiseerde achterban heeft hij niet. Partijbijeenkomsten, partijleden, partijbestuur: bij de PVV bestaat dat allemaal niet. Communiceren met de (potentiële) kiezer gebeurt via mail, website en nieuwsrubrieken.

Hoewel het nu de film is die alle aandacht opeist gaan de zorgen van de andere partijen over de invloed van Wilders en zijn partij dieper. Het optreden van zijn partij in de Tweede Kamer werkt „destabiliserend”, zegt Schinkelshoek. „Hij vergroot de problemen die hij zelf signaleert. Hij moet het van onrust hebben. Zijn prikkelende, provocerende en pesterige politieke en parlementaire optreden is daarom meer dan een potje schelden. Die ondermijning van de gevestigde orde gaat hard.”

PvdA’er Samsom gelooft daar niet in. Als de PVV groter wordt, bestuurlijke verantwoordelijkheid krijgt, dan zijn compromissen en samenwerking onvermijdelijk. „Die platte borrelpraat kun je niet eeuwig volhouden. Eens wordt dat afgestraft. Het is geen spelletje Kolonisten van Katan waar we mee bezig zijn. We moeten een volwassen debat voeren. De hoofdregel in ons systeem is: wie stelt moet bewijzen. Dat is geen elitair spel, dat is een fundamentele pijler van het democratisch debat.”

Politiek geïsoleerd, opgesloten in zijn ondoordringbare veiligheidscordon en nu definitief internationaal doorgebroken. Wilders heeft in zijn politieke carrière een voor Nederland unieke positie bereikt. Volgens veel politici is hij, bezeten door de gevaren van de islam, doof geworden voor de stem van hen die zijn geloof niet delen. Stemmen die hij ook nauwelijks kan horen. Hans van Baalen: „Zijn isolement zorgt ervoor dat je niet met andere gedachten in de supermarkt in aanraking komt. Bij de VVD had hij nog wat oudere collega’s die hem tegenspraken, die onderwerpen nuanceerden en in perspectief plaatsten. Bij de PVV heeft hij geen sparring partners meer die de andere kant van de zaak belichten.”

De standpunten van Wilders zijn oppervlakkig en opportunistisch, zegt SP-leider Jan Marijnissen: „Er zit nauwelijks ideologie achter en hij mist filosofische verdieping”. VVD’er Robin Linschoten gaat verder. De onverzoenlijke anti-islamkoers die Wilders heeft ingeslagen is volgens hem niet gevoed door overtuiging: „Hier zit geen ideologie achter. Sterker: Geert kennende weet ik zeker dat dit helemaal niet zijn eigen standpunt is. Hij wil via rabiate standpunten groot en machtig worden. Dit komt helemaal niet in de buurt van zijn eigen opvatting. Als je zo slim bent als hij, dan kan je niet zulke domme opvattingen hebben”.