Leg de regeldrift van bestuurders aan banden

Burgermansfatsoen dreigt in de stad de plaats in te nemen van de goede oude tolerantie. Maak meer ruimte voor verscheidenheid. Niet uit onverschilligheid, maar als reactie op te veel moralisme.

Anoniem, Midden-Italië, Architecturaal perspectief, eind 15de eeuw, Berlijn, Gemäldegalerie.

Peter Venmans

Filosoof en publicist. Auteur van ‘Over de zin van nut’en ‘De ontdekking van de wereld. Over Hannah Arendt’.

René Descartes voelt zich goed in Amsterdam. Hij heeft zich daar teruggetrokken om zich te bekwamen in de optica en om zijn metafysische stelsel te ontwerpen. Op 5 mei 1631 schrijft hij aan een vriend ook naar de stad te komen: het leven is er voor een filosoof veel beter dan aan het Parijse hof met al zijn gekonkel, en ook beter dan op het platteland, waar je meer door je buren gestoord wordt dan je lief is.

In Amsterdam word je tenminste met rust gelaten. Iedereen is toch alleen maar bezig met zaken doen. Bovendien is deze grote handelsstad van alle gemakken voorzien. Door de overvloed aan goederen op de markt kan de zorg voor de behoeftebevrediging tot een minimum beperkt worden en kan de filosoof zich wijden aan datgene waar het hem werkelijk om gaat, namelijk het leven van de geest.

Het meest waardeert Descartes echter wat hij ‘liberté’ noemt, maar wat eigenlijk ‘veiligheid’ is: in Amsterdam hoef je niet voor je leven te vrezen, omdat dankzij een sterk leger de vijand veraf blijft en omdat er binnen de muren weinig criminaliteit heerst. Eenzaamheid, een bescheiden luxe, veiligheid, een kamer met een kachel: meer heeft een filosoof niet nodig, meer verwacht Descartes ook niet van het stadsleven.

Hier, niet gestoord door zijn Amsterdamse buren en ook niet bijzonder in hen geïnteresseerd, bereidt Descartes een ongekende filosofische coup voor: de radicale afschaffing van de werkelijkheid. In 1637 publiceert hij Discours de la méthode, een boek waarin hij breekt met alle bestaande denksystemen. Hij toont zich bereid om werkelijk alles ter discussie te stellen. Slechts aan één feit hoeven we niet te twijfelen, namelijk aan het gegeven dát we twijfelen, dus denken, dus bestaan. Op basis van dit ene axioma kan Descartes aan de reconstructie van de wereld beginnen. Dat gebeurt stap voor stap, volgens een wiskundige methode: zijn systeem mag geen gaten vertonen; elke overgang in de redenering wordt logisch dichtgetimmerd. De wereld die Descartes vanaf nul wederopbouwt, is daarom de enig mogelijke: ze zou niet anders kunnen zijn, ze wordt door de schepper ervan aangevoeld als noodzakelijk, dwingend, onvermijdelijk.

In het tweede deel van het Discours vergelijkt Descartes zijn filosofische doel met het werk van een stedenbouwer. Een oude, organisch gegroeide stad kan volgens Descartes nooit zo volmaakt zijn als een nieuw te bouwen stad, vooral als die het ontwerp is van één man, een ingenieur, die een rationele, wetenschappelijke methode toepast. Het ideaal is een overzichtelijke, perfect beheersbare en optimaal georganiseerde stad, een noodzakelijk product van de menselijke intelligentie.

Descartes staat in geen enkele geschiedenis van de architectuur vermeld, maar zijn droom van een nieuwe, rationele stad leeft voort bij onze stadsbestuurders. Die hebben vaak de neiging om de bestaande stad te beschouwen als een probleem dat dringend opgelost moet worden. Oude steden zijn problematisch omdat het leven er niet geordend is zoals het zou moeten. Er heerst chaos, het verkeer raakt gestremd, de hygiëne laat te wensen over. In donkere steegjes en achter de gevels gebeurt van alles wat het daglicht niet kan velen.

De snelste manier om hiermee af te rekenen is de oude stad te verlaten en elders opnieuw te beginnen. Projectontwikkelaars en bouwpromotoren dromen nog altijd van grote, lege ruimten, van polders waar men grote voetbalstadions kan bouwen, met een winkelcentrum eromheen om de zaak winstgevend te maken en een verkeerscirculatieplan om de bereikbaarheid te optimaliseren. De steeds groter wordende winkelcentra vormen middelgrote steden op zichzelf, maar dan volledig gepland, op efficiëntie ingericht, universeel toegankelijk, transparant en optimaal beveiligd.

Waar het niet mogelijk is uit te wijken naar een polder of braakland, bijvoorbeeld omdat alle ruimte opgebruikt is, zit er niets anders op dan de bestaande stad te herscheppen naar nieuwe inzichten, zodat ze schoner, overzichtelijker en rationeler wordt. In de negentiende eeuw deed men dat door de aanleg van brede boulevards volgens een geometrisch plan. Vandaag neemt de rationalisering van de binnenstad subtiele en geraffineerde vormen aan, maar de neiging om het stadsleven te controleren en te stroomlijnen is duidelijk merkbaar.

Het huidige ideaal is de totale monitoring van het stadsleven, bijvoorbeeld door middel van camerabewaking. Geen beweging mag aan de controle ontsnappen, elke vorm van afwijkend en potentieel gewelddadig gedrag wordt geregistreerd. Dat lukt nooit, maar de stadsbewoners moeten wel de illusie krijgen dat er over hen gewaakt wordt en dat ze in een absoluut veilige omgeving vertoeven. Big Brother bestaat niet, maar hij is overal. We worden geregeerd door de camerasystemen die we zelf uitgevonden hebben.

Ook het saneren van zogenoemde probleemwijken is een voorbeeld van de sluipende rationalisering van het stadsleven. Deze strategie van sanering gaat veel verder dan het opknappen van verloederde buurten – waar niemand tegen kan zijn. Niet alleen ruimt men de troep op, in naam van het zuiverheidsideaal wordt meteen elke kans op viezigheid weggepoetst. Net zoals elke mogelijke geweldsdaad geneutraliseerd wordt door een lik-op-stukbeleid. In cafés mag ook niet meer worden gerookt, want elke last is nu een overlast. Mensen die zich onaangepast gedragen, krijgen een buurtverbod. Men dient zich tegenwoordig aan allerlei nieuwe afspraken te houden. Het burgermansfatsoen heeft de plaats ingenomen van de goede, oude tolerantie. Normen en waarden regeren de nieuwe stad.

Beleidsmakers zingen weliswaar de lof van de verscheidenheid, want men houdt wel van wat kleur op straat, maar dan alleen zolang het binnen de perken van de onschuldige idylle blijft. Men wil de lusten zonder het risico. Of zoals de Sloveense denker Slavoj Zizek ooit zei: de koffie zonder de cafeïne. De buurt moet gezellig en bruisend zijn maar tevens gevaarloos, dus moeten prikkels worden beperkt. Dat is raar.

Nemen we het voorbeeld van de toerist die voor het eerst een vreemde stad bezoekt. Om die stad echt te leren kennen moet hij durven afwijken van de geijkte paden. Door te verdwalen komt hij op plaatsen terecht waar het niet meer absoluut veilig voor hem is, maar zonder dat avontuur bestaat er ook geen kans dat hij iets spannends en moois ontdekt. De neiging van stadsmanagers is nu net om de toeristenstroom in goede banen te leiden: de veelbezochte historische stad wordt versmald tot een parcours langs erkende monumenten en pleisterplaatsen. De echte stad blijft op die manier voor de toerist verborgen. Het enige wat nog in zijn gezichtsveld komt en wat hij fotografeert, is al miljoenen keren eerder bezichtigd en gefotografeerd.

De drang naar rationalisering, de neiging om de bestaande stad als een probleem te zien en de cartesiaanse obsessie met orde gaan in tegen de ware stadsgeest. Die wordt juist gekenmerkt niet door eenvormigheid en regelmatigheid, maar door het naast elkaar bestaan van het ongelijke. Hét element van de stad is de menselijke verscheidenheid.

Dat klinkt misschien als een cliché in een tijd waarin we gewoon geraakt zijn aan een multiculturele samenleving, maar de verscheidenheid die hier bedoeld wordt, is er niet een van geloofsgroepen maar van individuen. De stad is de plaats waar de gelukszoekers op afkomen, waar iedereen gedreven wordt door zijn eigen, onvervangbare Pursuit of Happiness.

René Descartes wist dit al, toen hij beschreef hoe de Amsterdammers alleen met hun eigen profijt bezig zijn (wat hem dan weer de anonimiteit verschafte om zijn eigen, filosofische geluk na te streven).

Nu is het ongetwijfeld zo dat iedereen ongeveer hetzelfde wil – een zekere welvaart, een veilige omgeving, prettig contact met de buren, een bezigheid waardoor men zich nuttig voelt – maar de manieren waarop men dat geluk wil bereiken, zijn voor iedereen toch weer anders. In onze levensverhalen zijn we volstrekt uniek.

In een filosofische taal zou men de stad kunnen omschrijven als het oord van de ‘incommensurabiliteit’, dat wil zeggen, als een plaats waarvoor geen gemene deler bestaat. Er is niet één criterium waaraan je de waarde van het leven in de stad kunt aflezen. De stad is namelijk niet gebouwd op rationele, algemeen geldende principes zoals Descartes dat wilde. Bestuurders en planologen ergeren zich aan dit gebrek aan orde, maar er bestaat een andere, meer avontuurlijke en anarchistische manier om naar de stad te kijken die ook meer conform is aan de mentaliteit van haar bewoners. Dat is een manier die het stadsleven niet ziet als een probleem maar als een plaats van ontmoetingen, als een geheel van kansen om voor zichzelf het geluk te vinden. Tegenover de eenvormige, noodzakelijke stad van Descartes staat de polymorfe stad van de vele mogelijkheden.

In hoofdstuk drie van On Liberty (1859) heeft de liberale denker John Stuart Mill al overtuigend laten zien dat wij allemaal gebaat zijn bij het behoud van verscheidenheid. Een individu kan zich pas echt ontwikkelen tot een volwaardige persoon als hij zichzelf kan confronteren met andere individuen, andere levensstijlen, andere manieren van tegen de werkelijkheid aankijken. De vreedzame botsing der opinies helpt overigens niet alleen het individu in zijn zoektocht naar geluk, maar is ook essentieel voor de vitaliteit van de samenleving. Het doel van de ideeënclash is niet dat aan het eind van de rit de ene, absolute waarheid zegeviert – consensus doodt de democratie – wél dat individuen hierdoor de mogelijkheid krijgen om zich naar eigen inzicht te ontplooien. De stad is de plaats waar die confrontatie plaatsvindt, waar iedereen zijn eigen gang gaat en zich meet aan anderen, en waar de samenleving op een informele manier met zichzelf experimenteert.

Een stadse filosofie moet er dus op uit zijn om de diversiteit te behouden. Dat is een paradoxale onderneming, want eigenlijk probeer je op die manier te bewaren wat per definitie veranderlijk is – en dus niet bewaard kan worden. In elk geval is het onmogelijk om verscheidenheid te scheppen door eenvormige ingrepen van bovenaf. Er zit niets anders op dan de regeldrift van de bestuurders aan banden te leggen en het initiatief terug te geven aan de burgers. Zonder een zeker laisser faire gaat het niet – wat overigens niet betekent dat je de echte problemen van de mensen mag bagatelliseren. Als ik pleit voor minder rationalisering en minder regelgeving, dan is dat niet uit morele onverschilligheid maar als reactie op een teveel aan moralisme, op de over-rationalisering en de hyper-urbanisatie.

De Franse jezuïet Michel de Certeau pleitte in de nadagen van mei ’68 al voor een minder rationele en meer avontuurlijke kijk op de stad. Descartes’ visie was volgens Certeau typisch die van een strateeg. De ingenieur die aan zijn tekentafel de stad van zijn dromen ontwerpt, gaat te werk als Napoleon: die koos eerst een geschikt terrein uit, plande daarna de veldslag op papier en op het moment zelf regisseerde hij de troepenbewegingen vanaf een veilige hoogte. Tegenover de napoleontische strategie staan de tactieken van de guerrillero. Die laatste heeft geen overzicht van het terrein, maar kent wel alle sluipwegen. Hij is misschien minder intelligent dan de strateeg, maar des te sluwer. In plaats van te plannen improviseert hij. Door lokale, kleine acties herovert hij het gebied.

Om het geluk te vinden in de stad hebben we misschien minder behoefte aan een globale strategie dan aan tactische wendbaarheid. Een filosoof die over de stad nadenkt moet aandacht schenken aan de technieken van burgers en consumenten om te overleven, om goed te leven, om het beste leven te leiden waartoe ze in staat zijn.

Dat laatste is meestal geen kwestie van grote ideeën of principes maar van het vinden van praktische, werkbare manieren om met elkaar om te gaan. Goede buren word je niet door een wijkreglement, of door een stadscode voor goed gedrag. Het gaat om concrete contacten van individu tot individu. Dat gaat niet van harte, er komt veel improvisatie bij kijken, veel trial and error. Op deze dagelijkse pragmatiek van gewone mensen wordt vaak geringschattend neergekeken, maar dat is niet terecht. Uit het vermogen om zich telkens weer aan te passen aan nieuwe situaties spreekt juist een enorme vitaliteit. En is er niet juist veel moed nodig om af te zien van een groot, geruststellend toekomstplan?

Peter Venmans spreekt op de Nacht van de Filosofie. Zie pag. 14-15

    • Peter Venmans